Ik liep tegen een oude tentamenvraag aan:
De arbeidsovereenkomst tussen Restaurant Picasso te Oirschot en De Groot, die sinds augustus 1999 als kok bij het bedrijf in dienst was, is bij beschikking van de Kantonrechter van 31 mei 2007 tegen 15 juni 2007 ontbonden. De reden van de ontbinding was de sterk teruggelopen omzet. De rechter kende De Groot een vergoeding toe, gelijk aan twee maanden salaris. De Goot hoeft vanaf 1 juni 2007 niet meer te werken. Vanaf welke datum is er sprake van werkloosheid in de zin van de WW?
a. 1 juni 2006.
b. 16 juni 2006.
c. 1 juli 2006.
d. 1 augustus 2006.
Het antwoord is volgens het antwoordmodel C. Ik begrijp de werking van de fictieve opzegtermijn maar zie de relevantie niet met betrekking tot de vergoeding in casu (afvloeiingsregeling). Derhalve de volgende vraag: speelt de vergoeding een rol bij de vraag of er sprake is van werkloosheid of enkel bij de vraag of De Groot recht heeft op een WW-uitkering en zo ja op basis van welk artikel?
BVD voor jullie reacties.
|