Verjaring belasting t/m 2008
Selecteer berichten van
# tot #
Afdrukken

Rechtenforum.nl -> Fiscaal recht

#1: Verjaring belasting t/m 2008 Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 02 jan 2015 14:21
    —
Niet zo lang geleden heeft mijn werkgever Abn amro mij achterstallig loon betaalt over de jaren 2004 t/m 2014 en is daartoe verplicht op grond van het bij voorraad uitvoerbare vonnis van het Gerechtshof van 16-9-2014 (zie ECLI:NL:GHAMS:2014:4060).
Op 30-12-2014 zag ik op de website van de Belastingendienst, dat ik tot uiterlijk 31-12-2014 belastingaangifte kan doen over 2009.

Vermoedelijk heeft dit te maken met verjaring; ik heb enige wetten bekeken en de enige mogelijk relevante verjaring die ik vonden, zijn van de Algemene Wet inzake Rijksbelasting:
- Art. 11 lid 3 verjaring na verloop van 3 jaar waarop de belastingschuld is ontstaan.
- Art. 16 lid 3 verjaring na verloop van 5 jaar waarop de belastingschuld is ontstaan.
Misschien dat er verder nog civiele wetten zijn. Als het niet tijdig doen van belastingaangifte of het innen van te veel belasting te beschouwen is als een onrechtmatige daad is misschien de verjaring van art. 3:310 BW van 5 jaar en 20 jaar relevant.

Nu zijn er 3 mogelijke invalshoeken, in mijn voordeel of nadeel:
1) Dat ik niet meer belastingaangifte van voor het jaar 2009 kon doen, betekent dat de loonvordering, voor het loon dat betrekking heeft op de jaren 2004 t/m 2008, belastingvrij is.
2a) Dat ik niet meer belastingaangifte van voor het jaar 2009 kon doen, betekent dat ik het achterstallig loon alleen maar kan verdelen over de jaren 2009 t/m 2014, zodat ik geen gebruik kan maken van de niet benutte laagste drie belastingschijven (die een lager belastingpercentage kennen dan de hoogste schijf) en een groot deel van dit loon tegen een belasting van 52% moet betalen.
2b) Dat ik niet meer belastingaangifte van voor het jaar 2009 kon doen, betekent dat ik het achterstallig loon alleen maar kan verdelen over de jaren 2009 t/m 2014, maar omdat het naar maatstaven van Redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat ik er extra voor gestraft wordt dat mijn werkgever ten onrechte mijn loon te laat betaald heeft, kan ik alsnog gebruik maken van de niet benutte laagste drie belastingschijven van de jaren 2004 t/m 2008.

Ik heb nog niet gezocht naar relevante jurisprudentie, dus als iemand relevante arresten weet in dit verband, verneem ik het graag.


Laatst aangepast door Firestarter op vr 20 feb 2015 13:11, in totaal 1 keer bewerkt

#2:  Auteur: Ronald78 BerichtGeplaatst: ma 05 jan 2015 15:42
    —
Het genietingsmoment van loon wordt bepaald op grond van art. 13a, Wet LB 1964. De hoofdregel daarbij is het kasstelsel: het loon is belast op het moment dat het wordt ontvangen. Daarbij bepaalt lid 1, onderdeel b, van dat artikel, dat het loon wordt genoten op het moment dat het vorderbaar en inbaar is. 'Inbaar' houdt daarbij in dat het op verzoek van de werknemer wordt uitbetaald. Zolang de inhoudingsplichtige weigert te betalen, is het loon niet genoten. Zie bijvoorbeeld HR 4 november 1953, nr. 11 430, BNB 1953/337BNB 1953/337 (m.nt. Smeets).

Daarvan kan pas op zijn vroegst sprake zijn vanaf het moment van de hofuitspraak. Dus het volledige achterstallige loon is in 2014 belast, niet eerder. Het is ook niet uit te smeren, met uitzondering van de middelingsregeling in de inkomstenbelasting.

In bijzondere omstandigheden zijn er soms afspraken te maken met de belastingdienst op grond van de hardheidsclausule; in schrijnende gevallen kan een regeling worden getroffen die meer recht doet aan de werkelijkheid. Daarvan is niet heel snel sprake, maar je kunt (schriftelijk) contact opnemen met je locale belastingdienst om te proberen een regeling te treffen.

#3:  Auteur: De Fiscalist BerichtGeplaatst: ma 12 jan 2015 17:44
    —
Beste Firestarter,

Wat Ronald aangeeft is correct. De betalingen zijn belast in 2014. Zie ook artikel 3.146 IB 2001.

In jouw geval zal het genietingsmoment zijn het moment waarop de bedragen vorderbaar en inbaar zijn geworden door de uitspraak van het hof

#4:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 20 jan 2015 17:00
    —
Hoe kan het ook anders? In een dictatuur als Nederland dienen (adviezen van) belastingadviseurs om hun klanten te veel belasting laten betalen...
Per slot van rekening zullen advocaten (in het openbaar belang) hen niet aansprakelijk stellen en anders worden ze in bescherming genomen door hun aansprakelijkheidsverzekering.
Als de overheid geen jurisprudentie in mijn nadeel kan vinden van minder dan 60 jaar oud (N.B. nog van voor de Wet op de Loonbelasting van 1964) zegt mijn intuitie me dat ik een ijzersterke zaak heb.

Nu is de Nederlandse rechtspraak wat krom, maar het kan toch niet mogelijk zijn dat mijn belastingschuld van het jaar 2009 later is ontstaan later dan 31-12-2009?
Nee, natuurlijk niet; dit wordt ook bevestigd door de belastingwetten, waarin vermeld is dat de volgende criteria (in mijn bijzondere situatie) bepalend zijn om de datum te bepalen waarop de belastingschuld ontstaan is:
- Vorderbaar en inbaar (art. 13a, lid 1, onderdeel b van de Wet op de Loonbelasting en art. 3:146, lid 1, onderdeel e van de Wet Inkomstenbelasting van 2001). Ik heb al op 14-9-2005 gevorderd dat Abn amro mijn (achterstallig) salaris voldeed t/m een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst. Volgens de uitspraak van het Hof van 16-9-2014 was het loon bovendien inbaar, alleen heeft Abn amro ten onrechte jarenlang niet betaald.
- Rentedragend (art. 13a, lid 1, onderdeel a van de Wet op de Loonbelasting en art. 3:146, lid 1, onderdeel d van de Wet Inkomstenbelasting). Mijn loon is rentedragend vanaf het moment dat Abn amro mijn loon niet tijdig betaald heeft (dus aan het einde van iedere maand waarop het loon betaald moest worden). Dat het Hof in zijn uitspraak de wettelijke rente niet heeft toegekend, is niet relevant.

Dit betekent dat mijn belastingschuld over de jaren 2004 t/m 2014 gewoon over die jaren verdeeld moet worden en deels verjaard is op grond van de artikelen van de Algemene Wet inzake Rijksbelasting:
- Art. 11 lid 3: verjaard t/m het belastingjaar 2011.
- Art. 16 lid 3: verjaard t/m het belastingjaar 2009.
Ik denk niet dat dit betekent (uitgaande van verjaring t/m 2009) dat ik vervolgens ook nog mijn belasting over 2010 kan middelen over de jaren 2008 en 2009, behalve voor de paar duizend Euro dat mijn gemiddeld jaarsalaris in de voorgaande jaren lager was dan de ondergrens van de hoogste belastingschijf van EUR 55.000,- per jaar.

En vervolgens is de Belastingdienst dan de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat Abn amro mij te veel belasting heeft laten betalen (Abn amro heeft me nog steeds niet geinformeerd over de betaaldatums).
Het is onaannemelijk dat Abn amro - waarvan de overheid grootaandeelhouder is - mij te veel belasting heeft laten betalen, om me zo via een achterdeurtje alsnog wettelijk rente toe te spelen (die vervolgens ook nog eens belastingvrij is).

Ik zit op dit moment nog met de volgende vragen:
- Relevante jurisprudentie?
- Is mijn belastingschuld van meer dan 5 jaar geleden (conform art. 16 lid 3 van de AWR) of alleen van meer dan 3 jaar geleden (conform art. 11 lid 3 van de AWR) verjaard?


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:52, in totaal 1 keer bewerkt

#5:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 22 jan 2015 12:52
    —
Vertel het vooral niet verder aan alle kleine ondernemers, dat hun eigen boekhouder ze te veel belasting laat betalen! De Nederlandse kudde kijkt graag de andere kant op als iemand anders onrechtvaardig behandeld wordt, maar o wee ... als ze zelf de dupe blijken te zijn.

Abn amro is aan de Belastingdienst een verzuimboete en heffingsrente verschuldigd, wegens het niet tijdig betalen van mijn loon. Abn amro heeft me - behalve een veel te laag bruto bedrag geboden - een gemiddeld belastingpercentage van 52% laten betalen (het belastingpercentage van de hoogste belastingschijf is 52%).
Blijkbaar vinden ze dat ik extra moet betalen, omdat ze zelf een boete verschuldigd zijn.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:52, in totaal 2 keer bewerkt

#6:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 29 jan 2015 13:00
    —
Op 31-12-2014 heb ik belastingaangifte gedaan over de jaren 2009 t/m 2013.
Op 24-1-2015 ontving ik 2 brieven van de Belastingdienst (van de centrale administratie en het lokale belastingkantoor), waarin ze aangeven dat ze mijn (nieuwe) aangiftes willen behandelen als bezwaar tegen de eerdere definitieve aanslagen over deze jaren en verzoeken telefonisch contact op te nemen.
Op 28-1-2015 stuurde ik brieven naar beide postadressen van de Belastingdienst, waarin ik aangeef dat ik wil dat mijn aangiftes ook als nieuwe aangiftes behandeld worden (i.p.v. als bezwaar), met als toelichting de brief van Abn amro van 27-11-2014 met de berekening van mijn achterstallig salaris.

Ik heb nog helemaal geen jurisprudentie gevonden over belasting als een werkgever jaren te laat salaris betaalt.
Er is wel jurisprudentie over wanneer de belastingdienst nog belasting kan innen, ondanks dat deze verjaard is op basis van de belastingwetgeving: dit kan op grond van civiele wetgeving als de belastingplichtige onrechtmatig handelde (door het verkeerd informeren van de Belastingdienst).

#7:  Auteur: Ronald78 BerichtGeplaatst: do 29 jan 2015 17:05
    —
Firestarter schreef:
Op 28-1-2015 stuurde ik brieven naar beide postadressen van de Belastingdienst, waarin ik aangeef dat ik wil dat mijn aangiftes ook als nieuwe aangiftes behandeld worden (i.p.v. als bezwaar),
Je kunt niet opnieuw aangifte doen als de primitieve aanslag al is opgelegd. Er kan namelijk geen nieuwe primitieve aanslag worden opgelegd. Wat wel kan is een verzoek om een navorderingsaanslag indienen. Dat verzoek zal worden afgewezen, omdat de inkomsten pas in 2014 zijn genoten.
Quote:

Ik heb nog helemaal geen jurisprudentie gevonden over belasting als een werkgever jaren te laat salaris betaalt.

Hier heb je een aardig overzicht van de jurisprudentie op dit punt.
Quote:

Er is wel jurisprudentie over wanneer de belastingdienst nog belasting kan innen, ondanks dat deze verjaard is op basis van de belastingwetgeving: dit kan op grond van civiele wetgeving als de belastingplichtige onrechtmatig handelde (door het verkeerd informeren van de Belastingdienst).
Dat ziet op invordering (doorgaans aansprakelijkstelling). Een belastingschuld kun je niet via de civiele rechter vaststellen. De Ontvanger kan onder omstandigheden echter kiezen voor het civiele traject.

#8:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 13 feb 2015 11:42
    —
Op 6-2-2015 informeerde de Belastingdienst me dat mijn nieuwe belastingaangiften over 2009 t/m 2012 zijn aangemerkt als Verzoeken tot herziening van de eerder opgelegde (definitieve) aanslagen over deze jaren en voor 2013 als een aanvulling op mijn eerdere aangifte (over 2013 heb ik nog geen definitieve belastingaanslag gekregen).

Ik maak even een uitstapje naar de Wet Werk en Bijstand (WWB).
In WWB artikel 58 lid 2, onderdeel f, subonderdeel 1 staat dat de bijstandsgerechtigde de bijstand terug moet betalen, als hij na het ontvangen van een uitkering alsnog achterstallig salaris (of een ontslagvergoeding) ontvangt, waarmee deze met terugwerkende kracht toch niet bijstandsgerechtigd was. Dit betekent dat volgens de WWB mijn achterstallig salaris over voorgaande jaren, die in 2014 betaald is, ook die voorgaande periode betreft.
In augustus 2014 deed ik een aanvraag voor een bijstandsuitkering (waarbij ik DWI informeerde over mijn rechtszaak die mij een aanzienlijk bedrag op kon leveren).
Op 29-10-2014 (toen ik al EUR 2.087,- bijstand had ontvangen) informeerde ik DWI dat ik ruim EUR 50.000,- ontvangen had en daarom mijn uitkering beeindigde.
Op 9-12-2014 besloot DWI (pas) dat ik het volledige ontvangen bedrag terug moet betalen en op 6-1-2015 stuurde het (pas) een accept giro voor EUR 2.087,-, die ik gewoon betaalde.
Op 24-1-2015 stuurde DWI een jaaropgave over 2014 voor een bruto bedrag van EUR 2.556,-.
Op 2-2-2015 verzocht ik de jaaropgave over 2014 te corrigeren tot 0,-, op 3-2-2015 weigerde DWI de jaaropgave te corrigeren.
Op 12-2-2015 maakte ik bezwaar bij het College van Burgemeester en Wethouders tegen het besluit van 3-2-2015.
Nu zal de Belastingdienst me waarschijnlijk 52% over EUR 2.556,- in rekening brengen, waarmee deze truc van DWI me dan EUR 860,- kost aan extra belasting.

De door Ronald78 vermelde jurisprudentie is relevanter dan wat ik tot nu gevonden heb. Kort samengevat gaat het om het volgende.
De werknemer is door zijn werkgever op 16-10-1996 op staande voet ontslagen.
Het Hof veroordeelde op 5-8-1999 de werkgever tot doorbetaling van loon. De door de werkgever tegen deze uitspraak ingestelde cassatie is op 26-10-2001 verworpen.
Op 11-1-2000 heeft de kantonrechter bepaald, dat de arbeidsovereenkomst op 1-2-2000 voorwaardelijk is ontbonden, waarbij aan de werknemer een voorwaardelijke ontslagvergoeding is toegekend.
Op 31-1-2002 verzocht de advocaat van de werknemer het achterstallig salaris te betalen en bereikte kort daarna overeenstemming met de werkgever.
Op 1-5-2003 verzocht de advocaat van de werknemer tot uitbetaling van de ontslagvergoeding, maar nog niet te weten welk deel daarvan in een levensverzekeringspolis.
Op 13-5-2003 verzocht de advocaat van de werkgever te laten weten hoe de werknemer het bedrag wilde ontvangen.
Op 4-12-2003 verzocht de advocaat van de werknemer om uitbetaling van de ontslagvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, waarbij hij impliceert dat het tijdverloop vanaf 13-5-2003 door de werknemer komt. De werkgever ging op 16-1-2004 akkoord met betaling van de ontslagvergoeding.
De ontslagvergoeding is in januari 2004 belast.
De werknemer stelde dat de ontslagvergoeding al in 2002 inbaar en vorderbaar was geworden (dus in 2002 belast had moeten worden) en werd door de Hoge Raad op 11-11-2011 in cassatie in het ongelijk gesteld.

Er zijn een aantal opvallende zaken bij deze jurisprudentie (behalve het lange tijdsverloop).
1) De (advocaat van de) werknemer stelde zich op het standpunt dat de ontslagvergoeding al in 2002 "vorderbaar en inbaar" was, terwijl deze volgens de Hoge Raad pas op 4-12-2003 daadwerkelijk gevorderd werd. Ik twijfel dat vordering inbaar zijn voor het moment dat dit daadwerkelijk gevorderd is - waarschijnlijk was de rechtsopvatting van de werknemer dat 2002 afgeleid had moeten worden kansloos. Waarbij de brieven van de advocaat van 1-5-2003 en 4-12-2003 alleen verzoeken (dus niet sommeren) dus formeel nog niet eens vorderen.
2) De Hoge Raad helemaal niet gekeken heeft naar het moment waarop de ontslagvergoeding rentedragend is geworden, terwijl de werknemer op 4-12-2003 wel verzocht om vermeerdering met de wettelijke rente.
3) De advocaat van de werknemer op 4-12-2003 impliceert dat het tijdsverloop vanaf 13-5-2003 zijn eigen klant aan te rekenen is, waarna de Hoge Raad concludeert dat de werknemer de ontslagvergoeding (pas) op 4-12-2003 gevorderd heeft en de werkgever binnen een redelijke termijn nadien betaald heeft, waarmee belastingtechnisch de ontslagvergoeding in (januari) 2004 belast moet worden.
Waarschijnlijk is sprake van een opzettelijke beroepsfout door de advocaat van de werknemer (in het openbaar belang van de Belastingdienst), door: 1) niet te vorderen, 2) moment van rentedragendheid over het hoofd te zien en 3) te impliceren dat het door zijn eigen klant kwam dat het zo lang duurde.
Het gaat bij deze jurisprudentie dus niet om het moment waarop belasting geheven wordt over achterstallig loon maar over de ontslagvergoeding. Op de achtergrond is er dus wel een eerder bezwaar geweest door de werknemer over het salaris van 1996 t/m 2000, dat pas in 2002 betaald werd. Ik denk dat de werknemer dat eerdere geschil met de Belastingdienst won, anders had hij er niet voor gekozen opnieuw een rechtszaak te voeren tegen de Belastingdienst (en zo wist de advocaat in kwestie nog een extra graantje mee te plukken van het achterstallig salaris dat de werknemer binnenhaalde).


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:55, in totaal 1 keer bewerkt

#9:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 19 feb 2015 12:24
    —
Op 17-2-2015 stuurde ik de Belastingdienst aanvullende informatie en verzocht - subsidiair - om Ambtshalve vermindering (ex art. 9.2 van de Wet Inkomstenbelasting) van mijn belastingaanslag over 2014, zodat mijn inkomen over 2014 belast wordt alsof dit genoten is over de jaren 2004 t/m 2014.
Ook op 17-2-2015 ontving ik 2 brieven van de Belastingdienst, dat ze ineens opnieuw besloten heeft mijn nieuwe aangiften te behandelen als bezwaar tegen de eerdere aanslagen.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:55, in totaal 1 keer bewerkt

#10:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: zo 01 mrt 2015 18:38
    —
Op 20-2-2015 oordeelde de gemeente Amsterdam mijn bezwaarschrift van 12-2-2015 niet ontvankelijk, omdat de jaaropgave over 2014 geen besluit is dat vatbaar is voor bezwaar.

#11:  Auteur: bona fides BerichtGeplaatst: zo 01 mrt 2015 20:10
    —
Firestarter schreef:
Op 20-2-2015 oordeelde de gemeente Amsterdam mijn bezwaarschrift van 12-2-2015 niet ontvankelijk, omdat de jaaropgave over 2014 geen besluit is dat vatbaar is voor bezwaar.

Ik neem aan dat je dat nu gaat aanvechten tot voorbij de Hoge Raad.

#12:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 10 mrt 2015 15:35
    —
Op 27-2-2015 weigerde de Belastingdienst mijn nieuwe aangiften voor 2009 t/m 2013. Op 9-3-2015 maakte ik bezwaar tegen het besluit van 27-2-2015 en/of tegen mijn belastingaanslagen van 2004 t/m 2013.

Op 5-3-2015 heb ik beroep ingesteld bij de bestuursrechter tegen de jaaropgave van DWI.

#13:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: za 28 mrt 2015 18:04
    —
Op 23-3-2015 stuurde de belastingdienst mij een brief met een onduidelijke status. Deze brief begint met "Ik heb uw brief van 9 maart 2015 in behandeling genomen" (ik had al een ontvangstbevestiging ontvangen).
De belastingdienst geeft aan dat zowel het criterium "vorderbaar en inbaar" als "rentedragend worden" maakt, dat mijn achterstallig loon over de jaren 2004 t/m 2013 in 2014 belast wordt.
Dit is onderbouwd met jurisprudentie HR 1 juni 1997, nr. 18 209, BNB 1977/167 (dus van voor de Wet Inkomstenbelasting van 2001). Nu is er wel een gepubliceerde uitspraak van een gerechtshof die verwijst naar deze jurisprudentie (ECLI:NL:GHSHE:2014:3880), maar de uitspraak zelf kan ik niet vinden (ik heb geen enkel arrest van de Hoge Raad gevonden die hiernaar verwijst).


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:56, in totaal 1 keer bewerkt

#14:  Auteur: Ronald78 BerichtGeplaatst: do 02 apr 2015 15:58
    —
Het jaartal klopt niet, het arrest is van 1 juni 1977. Dat is te oud om op rechtspraak.nl gepubliceerd te worden en is alleen opgenomen in BNB.

In dat arrest speelde een soortgelijk conflict met de ex-werkgever en oordeelde de kantonrechter op 29 december 1972 dat de ex-werkgever een vergoeding verschuldigd was. Deze was pas in 1973 belast, omdat de werkgever zeker niet vóór de uitspraak zou betalen en het ook niet aannemelijk was dat, gelet op de datum van de uitspraak, de werkgever na de uitspraak nog in 1972 zou betalen. Dus was de vergoeding pas vorderbaar en inbaar en derhalve belast in 1973. Dat er moratoire interessen verschuldigd waren (in ieder geval vanaf de uitspraak) maakt niet dat (uiterlijk) vanaf de uitspraak de vordering rentedragend is, dus dat is ook geen reden om al vóór 1973 tot belastingheffing te kunnen komen.

Uit het arrest:
Quote:
dat mitsdien ook de tweede grief faalt; niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende de onderhavige vergoeding nog in het jaar 1972 met goed gevolg van A had kunnen opvorderen, en daarmede een oordeel van feitelijke aard heeft gegeven, waarvan de juistheid in cassatie niet kan worden getoetst;
dat het Hof, van dit oordeel uitgaande, terecht heeft geoordeeld dat de vergoeding niet reeds in 1972 vorderbaar en tevens inbaar was;
dat tenslotte blijkens 's-Hofs uitspraak belanghebbendes stelling, dat de bovenbedoelde vergoeding in 1972 rentedragend zou zijn geworden, hierop berustte, dat in ieder geval vanaf 29 december 1972, de dag waarop de Kantonrechter zijn beschikking gaf, inhoudende de ontbondenverklaring van de arbeidsovereenkomst en de toekenning van de onderwerpelijke vergoeding, moratoire interessen over het bedrag van die vergoeding verschuldigd zouden zijn geworden;
dat het Hof, op goede grond oordelende dat het verschuldigd worden van moratoire interessen niet kan worden begrepen onder ,,rentedragend'' worden in de zin van art. 33, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, niet behoefde in te gaan op de vraag, of, en zo ja, vanaf welk tijdstip in dit geval moratoire interessen verschuldigd zouden zijn geworden;
dat derhalve ook de derde grief niet tot cassatie kan leiden;

Dat het om een oud arrest gaat, betekent overigens niet dat het niet meer van toepassing is. Inhoudelijk is de huidige bepaling namelijk nog hetzelfde als destijds.

#15:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 14 apr 2015 11:13
    —
Op 9-4-2015 heeft de bestuursrechter de zitting in mijn beroep tegen DWI in juni 2015 vastgesteld.
In de officiele uitnodiging staat dat deze plaatsvindt in: Amsterdam, Parnassusweg 220 TOR. F. Ik heb zo'n uitnodiging al eerder ontvangen (in een ander beroep) en heb toen een wrakingsverzoek gedaan, omdat een aanduiding van de kamer ontbreekt (op de Parnassusweg 220 zijn tientallen kamers). Dat verzoek werd afgewezen, omdat in de uitnodiging geen kamer hoeft te staan.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:57, in totaal 1 keer bewerkt

#16:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 19 mei 2015 11:18
    —
De Belastingdienst had binnen 6 weken mijn bezwaarschrift van 9-3-2015 moeten beoordelen (dus uiterlijk op 21-4-2015).
Op 15-5-2015 stelde ik de Belastingdienst in gebreke voor het niet tijdig nemen van een besluit op mijn bezwaar.

#17:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: zo 24 mei 2015 11:37
    —
Op 20-5-2015 liet de Belastingdienst weten, dat omdat ze mijn bezwaarschrift van 9-3-2015 als een verzoek tot navordering beschouwen: ik geen bezwaar (en beroep) kan instellen tegen de definitieve belastingaanslagen van 2004 tot en met 2013. Ik krijg dus geen besluit op mijn bezwaar na mijn ingebrekestelling.
Nu kan ik dus zelf bepalen wanneer ik in beroep ga bij de bestuursrechter (art. 6:12 lid 1 AWB).


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:58, in totaal 1 keer bewerkt

#18:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: ma 19 okt 2015 14:05
    —
Op 9-10-2015 nodigde de Belastingdienst mij uit om belastingaangifte te doen voor 2014. Op 19-10-2015 heb ik aangifte voor 2014 gedaan.
Bizar genoeg is inmiddels de verjaring van 3 en 5 jaar uit (artikelen 11 en 16 van) de Wet op de Loonbelasting verwijderd.

#19:  Auteur: Ronald78 BerichtGeplaatst: vr 23 okt 2015 17:08
    —
Dat heeft daar ook nooit gestaan. In art. 11 AWR staat wel een 3-jaarstermijn en in art. 16 AWR een 5- c.q. 12-jaarstermijn. Die gelden voor aanslagbelastingen, zoals de inkomstenbelasting. Niet voor voldoenings- en afdrachtsbelastingen zoals de loonbelasting. Daarvoor moet je naar hoofdstuk IV van de AWR, met een termijn van 1 maand voor wat betreft de betaling en 5 jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan voor wat betreft de naheffingsaanslag.

Oh, en er zijn nog een paar uitzonderingen op deze regels.

#20:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 29 okt 2015 15:01
    —
Nu hou ik wel van een leuke uitdaging, maar een rechtszaak van een miljoen euro, zonder geld voor boodschappen en woninghuur, gaat zelfs mij te ver. Dit is nog afgezien van misdadig, dat de overheid mijn banktegoeden blokkeert, in een poging mij te vermoorden.
Ik maak door deze situatie fouten (meer dan ik normaal al doe).
Quote:
Bizar genoeg is inmiddels de verjaring van 3 en 5 jaar uit (artikelen 11 en 16 van) de Wet op de Loonbelasting verwijderd.

De verjaring is helemaal niet verwijderd uit de AWR. Voor zover ik het kan beoordelen, is in deze situatie de 3 jaar van artikel 11, lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelasting (AWR) van toepassing: "De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd".

#21:  Auteur: Ronald78 BerichtGeplaatst: ma 02 nov 2015 11:35
    —
Dat ligt eraan over welk belastingmiddel je het hebt. Je had het over loonbelasting. Dat is geen aanslagbelasting, zodat art. 11 AWR daarop niet van toepassing is.

Inkomstenbelasting is wel een aanslagbelasting. Daarvoor geldt dat de primaire aanslag binnen 3 jaar (+ kenbaar verleend uitstel) moet zijn opgelegd. Daarna kan nog wel een navorderingsaanslag worden opgelegd, als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan (zie art. 16 AWR).

#22:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 04 nov 2015 19:38
    —
Nu heeft eindelijk iemand antwoord gegeven op mijn vraag van 20-1-2015: "Is mijn belastingschuld van meer dan 5 jaar geleden (conform art. 16 lid 3 van de AWR) of alleen van meer dan 3 jaar geleden (conform art. 11 lid 3 van de AWR) verjaard?".
Misschien dat dit uit de jurisprudentie blijkt, maar uit de AWR kan ik niet opmaken, waarom bij loonbelasting niet art. 11, lid 3 AWR van toepassing is, maar alleen art. 16, lid 3 AWR: "De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. (...) Voor zover navordering zonder toepassing van het tweede lid, onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgesteld".

Ik zie ook nog een verjaring van 2 jaar, nadat de belastingaanslag is vastgesteld. Meestal wordt de definitieve aanslag in de herfst van het daarop volgende jaar bepaald; dus dit zou zelfs betekenen, dat als ik de belastingaanslag van 2012 in oktober 2013 kreeg, de belasting over mijn loon van 2012 nu al verjaard is.
Misschien dat ik maar beter geen beroep kan instellen na mijn ingebrekestelling van 15-5-2015. Dan kan ik de besluiten van de Belastingdienst, dat mijn aanvullende belastingaangiften en bezwaar tegen de belastingaanslagen van 2004 t/m 2013 niet ontvankelijk zijn, gebruiken om te onderbouwen dat de Belastingdienst me geen nieuwe belastingaanslagen kan opleggen voor die jaren.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:59, in totaal 1 keer bewerkt

#23:  Auteur: Ronald78 BerichtGeplaatst: do 05 nov 2015 17:42
    —
Op grond van art. 9.1 Wet IB 2001 is de inkomstenbelasting een aanslagbelasting.
Op grond van art. 27, lid 5, Wet LB 1964 is de loonbelasting een aangiftebelasting.

Op aanslagbelastingen is hoofdstuk III van de AWR van toepassing.
Op aangiftebelastingen is hoofdstuk IV van de AWR van toepassing.
In deze hoofdstukken zijn (onder meer) de termijnen opgenomen. Artt. 11 en 16 staan in hoofdstuk III van de AWR en zien dus alleen op aanslagbelastingen zoals de inkomstenbelasting. Art. 16 AWR is dus ook niet van toepassing op de loonbelasting.

De genoemde tweejaarstermijn is alléén van toepassing als de navorderingsaanslag alléén opgelegd mag worden omdat een aanslag door een fout ten onrechte achterwege is gebleven of door een kenbare fout te laag is vastgesteld.

#24:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: ma 09 nov 2015 14:30
    —
Dus je stelt nu, dat hoofdstuk 3 van de AWR "Heffing van belasting bij wege van aanslag" niet van toepassing is op loonbelasting?
Ik geef jaarlijks, met een aangifte, loonbelasting en inkomstenbelasting op en krijg jaarlijks een aanslag (inclusief loonbelasting). De wetsartikelen, waar je naar verwijst, onderbouwen niet dat hoofdstuk 3 van de AWR niet geldt voor loonbelasting.
In ieder geval erken je dat de verjaring van 5 jaar van art. 20, lid 3 (uit hoofdstuk 4) van de AWR toepasselijk is: "De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend".
Ook in art. 9, lid 11, onderdeel b van de Invorderingswet 1990 is een verjaringstermijn van 5 jaar opgenomen.
In afdeling 4.4.3 van de AWB zijn ook nog regels over verjaring van een schuld aan de overheid (met ook in art. 4:104, lid 1 AWB een verjaringstermijn van 5 jaar). Bizar genoeg kan een schuldenaar zich niet meer beroepen op verjaring van een schuld, nadat deze een schuld erkend heeft (art. 4:105, lid 2 AWB).
Quote:
Ik zie ook nog een verjaring van 2 jaar, nadat de belastingaanslag is vastgesteld. Meestal wordt de definitieve aanslag in de herfst van het daarop volgende jaar bepaald; dus dit zou zelfs betekenen, dat als ik de belastingaanslag van 2012 in oktober 2013 kreeg, de belasting over mijn loon van 2012 nu al verjaard is.

Mijn definitieve belastingaanslag van 2012 is trouwens gedagtekend op 30-8-2015.

#25:  Auteur: Ronald78 BerichtGeplaatst: ma 09 nov 2015 19:01
    —
Firestarter schreef:
De wetsartikelen, waar je naar verwijst, onderbouwen niet dat hoofdstuk 3 van de AWR niet geldt voor loonbelasting.
Dan vrees ik dat je de wettekst anders interpreteert dan gebruikelijk wordt gedaan.
Quote:

In ieder geval erken je dat de verjaring van 5 jaar van art. 20, lid 3 (uit hoofdstuk 4) van de AWR toepasselijk is: "De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend".
wel op de loonbelasting, niet op de inkomstenbelasting, zie hieronder.
Quote:

Ook in art. 9, lid 11, onderdeel b van de Invorderingswet 1990 is een verjaringstermijn van 5 jaar opgenomen.
Dat ziet op de verjaring van de formele belastingschuld, die termijn vangt in ieder geval niet eerder aan dan het moment van vaststellen van de aanslag. Ook wel logisch, de invorderingswet ziet immers op de invordering van aanslagen, niet op de vaststelling van die aanslagen.

Je doet jaarlijks aangifte inkomstenbelasting, niet loonbelasting. In de aangifte inkomstenbelasting vermeld je hoeveel loonbelasting ingehouden is, omdat de loonbelasting een voorheffing is op de inkomstenbelasting. Je verrekent dus de ingehouden loonbelasting met de te betalen inkomstenbelasting, omdat je anders dubbel zou betalen. De aanslag die je krijgt, is dan ook alleen een aanslag inkomstenbelasting (zoals ook netjes rechtsboven op het biljet staat vermeld), geen aanslag loonbelasting. De loonbelasting wordt alleen vanwege de verrekening vermeld, niets meer en niets minder. Werkgevers doen aangifte loonbelasting. Dat is wel belangrijk om uit elkaar te houden.

Nu duidelijk is over welk belastingmiddel we het hebben, kun je ook bepalen welke wetsartikelen relevant zijn. Als vermeld is de inkomstenbelasting een aanslagbelasting (vandaar dat je na het doen van aangifte steeds netjes een aanslag krijgt opgelegd). Daarop zijn de aanslagtermijnen van hoofdstuk 3 AWR van toepassing. Dat betekent dat de belastingdienst de primitieve aanslag inkomstenbelasting binnen 3 jaar (+ uitstel) na afloop van het kalenderjaar waarop de aanslag ziet moet opleggen. 30-8-2015 is voor de aanslag over 2012 dus ruim op tijd.[/code]

#26:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 12 nov 2015 14:25
    —
Quote:
Op grond van art. 9.1 Wet IB 2001 is de inkomstenbelasting een aanslagbelasting.
Op grond van art. 27, lid 5, Wet LB 1964 is de loonbelasting een aangiftebelasting.
Op aanslagbelastingen is hoofdstuk III van de AWR van toepassing.
Op aangiftebelastingen is hoofdstuk IV van de AWR van toepassing.
In deze hoofdstukken zijn (onder meer) de termijnen opgenomen. Artt. 11 en 16 staan in hoofdstuk III van de AWR en zien dus alleen op aanslagbelastingen zoals de inkomstenbelasting. Art. 16 AWR is dus ook niet van toepassing op de loonbelasting.
Er zijn meerdere websites, die dit bevestigen. Ik zie nog steeds niet hoe dit uit deze wetsartikelen volgt, misschien heb ik nog de mogelijkheid om deze wat beter lezen.
Een belastingschuld ontstaat op de laatste dag van het jaar (dus voor 2010 op 31-12-2010). Dus is mijn belasting voor het jaar 2010, bij een verjaringstermijn van 5 jaar vanaf 1-1-2016 verjaard. Ik begrijp dat ik er ook nog op moet letten, dat niet iedere termijn op dezelfde dag begint te lopen.

Quote:
Misschien dat er verder nog civiele wetten zijn. Als het niet tijdig doen van belastingaangifte of het innen van te veel belasting te beschouwen is als een onrechtmatige daad is misschien de verjaring van art. 3:310 BW van 5 jaar en 20 jaar relevant.
Behalve dat de belastingwetten en AWB relevant zijn voor verjaring van een belastingschuld, voor loonbelasting dus alleen een verjaringstermijn van 5 jaar, zijn er ook - in boek 3 van het Burgerlijk Wetboek - civiele wetten relevant voor de verjaring.
In artikelen 3:307 t/m 3:311 BW is ook een verjaringstermijn van 5 jaar gedefinieerd (waarvan sommige wetsartikelen toepasselijk zijn).
In art. 3:99, lid 1, BW is een verjaringstermijn van 3 jaar, die waarschijnlijk van toepassing is: Rechten op roerende zaken die niet-registergoederen zijn, en rechten aan toonder of order worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie jaren, andere goederen door een onafgebroken bezit van tien jaren.
Dit zou betekenen, dat mijn belastingschuld van 2011, vanaf 1-1-2015 verjaard is.

#27:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 27 jan 2016 13:19
    —
Op 26-1-2016 ontving ik een besluit van de Belastingdienst...
Het was niet waar ik op wachtte, maar de definitieve vaststelling van mijn toeslagen over 2014 op nihil, op basis van een jaarinkomen van 50.413 euro (informatie van de BasisRegistratie Inkomen).
Dat geeft in ieder geval vertrouwen voor het komende besluit van de Belastingdienst over mijn achterstallig salaris van 2004 tot en met 2014; op 19-10-2015 heb ik bij mijn belastingaangifte voor 2014 als loon opgegeven: Abn amro: EUR 47.857 en DWI: EUR 2.556 = EUR 50.413.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 17:59, in totaal 1 keer bewerkt

#28:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 23 mrt 2016 17:46
    —
Op 22-3-2016 stelde ik de Belastingdienst in gebreke (ex artikel 6:12 van de AWB), omdat ze uiterlijk binnen 8 weken mijn belastingaangifte van 19-10-2015 had moeten beoordelen (ex artikel 4:13 van de AWB).
Vanwege artikel 8, lid 3 van de Algemene wet Rijksbelasting is het onduidelijk of de Belastingdienst aan enige termijn gehouden is (in de Belastingwetgeving staat geen termijn): "Het doen van aangifte is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht".


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:00, in totaal 1 keer bewerkt

#29:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 06 apr 2016 14:59
    —
Op 24-3-2016 besloot de Belastingdienst dat mijn ingebrekestelling niet ontvankelijk is, omdat een belastingaangifte op grond van de AWB geen aanvraag is, zodat ze aan geen enkele wettelijke termijn gehouden is.
Op 29-3-2016 besloot de Belastingdienst op basis van "nieuwe informatie" dat mijn toeslagen voor 2014 waren vastgesteld op nihil, op basis van een jaarsalaris van 474.936 euro. Volgens mij is dit besluit niet ontvankelijk, omdat er al een definitief besluit genomen was op 26-1-2016 en heb ik geen belang bij bezwaar, omdat ook bij een jaarinkomen van 50.000 euro mijn toeslagen nihil zijn.
Ik heb informatie en jurisprudentie gevonden over de bepalingen "vorderbaar en inbaar" en "rentedragend". Vorderbaar betekent het moment, dat mijn werkgever uiterlijk had moeten betalen (dus het einde van iedere maand waarop het loon betrekking heeft) en inbaar betekent dat mijn werkgever ook in staat is om te betalen (dus solvabel is), zie: http://loonzaken.sdu.nl/thema/20100413%20loon%20vorderbaar%20en%20inbaar.xml/Loon%20vorderbaar%20en%20inbaar.html
Hier wordt verwezen naar jurisprudentie, Rechtbank Haarlem, 23-3-2010, LJN BL9691. Het ging om een werknemer, die in 2006 geen loon ontving ondanks dat hij vorderingen had ingesteld. De werknemer stelde dat het bedrijf hem niet kon betalen, zodat het loon niet inbaar was - dat werd verworpen. De werknemer stelde ook dat het in strijd is met het evenredigheidsprincipe dat het loon van zijn dochter - die dat ook niet ontving van dit bedrijf - niet belast werd, terwijl de Belastingdienst zijn (niet ontvangen) loon wel belast. Op grond van het evenredigheidsprincipe werd zijn loon niet belast.
Ik heb ook nog andere jurisprudentie over "vorderbaar en inbaar": Gerechtshof Leeuwarden, 27-7-2007, LJN BB0732. Hier werd een stamrechtuitkering niet in 2001 betaald. Het Hof oordeelde dat omdat de vordering zowel "vorderbaar als inbaar" was, deze in 2001 belast moest worden.
Quote:
Ik heb al op 14-9-2005 gevorderd dat Abn amro mijn (achterstallig) salaris voldeed t/m een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst.
Voor rentedragend is vereist dat een werknemer een vordering instelt tegen zijn werkgever. Dit betekent dat mijn achterstallig loon van 2004 en 2005 vanaf 14-9-2005 en daarna aan het einde van iedere maand rentedragend werd.
Ook belangrijk: de bewijslast is bij mij. Ik neem maar aan, dat ik niet hoef te bewijzen dat Abn amro, met een jaarlijkse miljardenomzet, wel degelijk solvabel was (zodat mijn loon behalve vorderbaar tevens inbaar was). Ik kan in ieder geval ook nog een beroep doen op het evenredigheidsprincipe: in deze periode kregen andere werknemers van Abn amro gewoon hun loon op de gewone tijdstippen uitbetaald.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:03, in totaal 1 keer bewerkt

#30:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 28 apr 2016 11:00
    —
Op 25-4-2016 heb ik beroep ingesteld bij de rechtbank belastingrecht voor het niet tijdig nemen van een besluit na ingebrekestelling. De Belastingdienst heeft nog steeds geen besluit genomen op mijn belastingaangifte van oktober 2015 en heeft zelfs nog geen datum laten weten wanneer ik een beslissing kan verwachten.

#31:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: za 11 jun 2016 12:28
    —
Op 9-6-2016 verklaarde de bestuursrechter mijn beroep van 25-4-2016 niet-ontvankelijk (art. 8:55b AWB), want een belastingaangifte is geen aanvraag in de zin van de AWB, zodat de Belastingdienst tot 3 jaar na het moment waarop de belastingschuld voor 2014 is ontstaan, dus tot 31-12-2017, de tijd heeft om mijn belastingaangifte van 19-10-2015 te beoordelen. Ik kan binnen 6 weken nog in verzet gaan tegen deze uitspraak.
Geheel toevallig verwijderde staatszender KRO, ook op 9-6-2016, dit verhaal van eerstehulpbijrecht.nl/forum, omdat: "Ons forum focust zich namelijk op heldere, juridische conflicten".


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:03, in totaal 1 keer bewerkt

#32:  Auteur: Ronald78 BerichtGeplaatst: di 21 jun 2016 15:28
    —
Verzet lijkt mij zinloos, gelet op de heldere wettekst.

#33:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 14 jul 2016 16:53
    —
Op 13-7-2016 ben ik in verzet gegaan tegen de uitspraak van de bestuursrechter in Haarlem van 9-6-2016. De Belastingdienst heeft niet de plicht om binnen 8 weken (art. 4:14 lid 3 AWB) een "definitieve" aanslag maar wel om een "voorlopige" aanslag vast te stellen. Dit zijn mijn redenen in mijn verzetschrift voor vernietiging van de uitspraak.

1 - Ingebrekestelling (Art. 6:12 AWB)
De 6:12 AWB is niet beperkt tot een aanvraag (in de zin van de AWB) maar ook voor het tijdig nemen van een beschikking. Belastingdienst had binnen 8 weken een voorlopige aanslag moeten vaststellen (in een voor bezwaar vatbaar besluit). Uit de website van de Belastingdienst blijkt dat de belanghebbende, om te veel betaalde belasting terug te krijgen, het volgende kan doen: "U wacht totdat het jaar voorbij is en doet dan aangifte voor de inkomstenbelasting".
2 - Onrechtmatige daad, Wanprestatie (Art. 6:74 BW, Art. 6:162 BW)
De Belastingdienst heeft met voorbedachten rade en met medeplichtigheid van ABN AMRO een bedrag van EUR 228.590,- van mij gestolen. Hieruit blijkt dat de Belastingdienst schuldig is aan discriminatie en niet zonder vooringenomenheid handelen (art. 2:4 lid 1 AWB). Hierbij is relevant dat de overheid de eigenaar van ABN AMRO was.
3 - Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (artikel 6, 13 EVRM)
Ook uit art. 6 en 13 EVRM blijkt dat ik een daadwerkelijk rechtsmiddel moet hebben en de overheid binnen een redelijke termijn moet handelen.
4 - Schenden essentiele vormen (art. 8:37 AWB)
De bestuursrechter heeft essentiele vormen geschonden door de uitspraak niet per aangetekende post te versturen (art. 8:37 lid 1 AWB).


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:04, in totaal 1 keer bewerkt

#34:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 28 sep 2016 10:45
    —
Ik heb nog geen oordeel van de bestuursrechter belastingrecht op mijn verzet van 13-7-2016.
Op 27-9-2016 ontving ik - na mijn aangifte van 19-10-2015 - de (definitieve) aanslag voor 2014. De belastingdienst heeft mijn achterstallig salaris voor de jaren 2004 t/m 2014 (474.936 euro) volledig in 2014 belast. Zonder ook maar enige motivatie.
Dit betekent dat ik 7108 euro terugkrijg inclusief 224 euro rente (Abn amro had me 52% belasting over dit gehele bedrag laten betalen).
Ik kan binnen 6 weken bezwaar maken.

#35:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 13 okt 2016 10:50
    —
Op 4-10-2016 oordeelde de bestuursrechter mijn verzet van 13-7-2016 ongegrond. De bestuursrechter bevestigt dat het redelijk is dat de Belastingdienst tot 31-12-2017 kan wachten om mijn aangifte van 19-10-2015 te beoordelen.
De bestuursrechter bevestigt dat het in strijd heeft gehandeld met 8:37 lid 1 AWB door de uitspraak van 9-6-2016 niet aangetekend te sturen, maar dat dit niet uitmaakt. De bestuursrechter heeft opnieuw dit wetsartikel geschonden door ook de uitspraak van 4-10-2016 niet aangetekend te sturen.
Conform art. 8:55e, lid 1 had de bestuursrechter binnen 6 weken na mijn verzet van 13-7-2016 moeten oordelen.
Ik kan binnen 6 weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Ik werd op 30-9-2016 gesommeerd om uiterlijk 31-10-2016 belastingaangifte voor 2015 te doen.
Zo is het volgende juridische geschil met het misdadige, dictatoriale regime te verwachten. De Belastingdienst belast spaargeld alsof daarop een rendement van 4% per jaar gehaald wordt. Mijn bankrekeningen - met ruim 2 ton - worden al vanaf 3-6-2015 onrechtmatig geblokkeerd, zodat ik niet kan beschikken over mijn eigen spaargeld, zodat de conclusie moet zijn dat dit geld niet van mij is. Dus zal ik bij de aangifte 0 bij spaargeld invullen.

Dit illustreert ook meteen hoe het geregeld is in ons nette Nederland.
Waar rechters, overheidsinstanties en grote bedrijven zich aan geen enkele wet of termijn houden, krijgt de burger nul op het rekest als deze een termijn met maar een dagje overschrijdt.
Een van de strategieen is iemand in 1 keer zo vol te stoppen met juridische conflicten, dat het gewoon niet meer lukt om tijdig in actie te komen.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:05, in totaal 1 keer bewerkt

#36:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 08 nov 2016 17:32
    —
Op 31-10-2016 deed ik belastingaangifte voor het jaar 2015, waarbij ik 0 voor spaargeld invulde en een negatief inkomen voor het bedrag dat ik terug moest betalen in 2015 (met betrekking tot de uitkering in 2014 die omgezet was in een lening).

Firestarter schreef:
Op 27-9-2016 ontving ik - na mijn aangifte van 19-10-2015 - de (definitieve) aanslag voor 2014. De belastingdienst heeft mijn achterstallig salaris voor de jaren 2004 t/m 2014 (474.936 euro) volledig in 2014 belast. Zonder ook maar enige motivatie.
Op 7-11-2016 heb ik bezwaar gemaakt tegen de belastingaanslag voor 2014.
Onderdeel 1 - Verbod op discriminatie (EVRM artikel 14). Volgens art. 40 van de grondwet (GW) heeft het Nederlandse staatshoofd belastingvrijstelling. Het is dus in strijd met het Verbod op discriminatie dat ik geen belastingvrijstelling heb. Dit is helemaal duidelijk aangezien Willem III niet de vader was van Wilhelmina, zodat Willem-Alexander hoogverraad heeft gepleegd door de troon te stelen (een schending van art. 24 GW): http://www.pateo.nl/Dutch/Vader_Wilhelmina.htm
Onderdeel 2 - Verdeling loon over de jaren waarop dit betrekking had. Ik heb hier al het e.e.a. over gezegd in het voorgaande. Ik heb nog toegevoegd dat uiterlijk het jaar 2010 (toen het Hof het tweede tussentijds arrest wees) of 2012 (toen de Hoge Raad arrest wees) gehanteerd moet worden voor het jaar dat mijn vorderingen vorderbaar en inbaar.
Ik heb nog aanvullende jurisprudentie gevonden - Gerechtshof Arnhem, 1-6-2010, LJN BM9148. Hier werd achterstallig loon niet in 2003 betaald (maar later). Het Hof oordeelde dat het salaris wel degelijk - behalve vorderbaar ook - inbaar was, omdat de werkgever door verkoop van activa over voldoende liquide middelen had kunnen beschikken: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARN:2010:BM9143
Onderdeel 3 - Onrechtmatige daad, Wanprestatie (Art. 6:74 BW, Art. 6:162BW, Art. 1 van Protocol 1 EVRM). De Belastingdienst heeft onrechtmatige daad gepleegd door ruim 2 ton (te veel) belasting van mij te stelen. Om vervolgens te weigeren dit (binnen een redelijke termijn) te herstellen.
Onderdeel 4 - Evenredigheidsprincipe. Ik was van 2004 t/m 2014 "gewoon" in dienst van ABN AMRO. Het is in strijd met het evenredigheidsprincipe dat ik eerst gedupeerd wordt doordat mijn salaris niet (tijdig) betaald wordt en vervolgens nogmaals gedupeerd, doordat de Belastingdienst mij nog eens extra straft voor de onbehoorlijke handelswijze van ABN AMRO.
Onderdeel 5 - Vertrouwensbeginsel. Op 26 januari 2016 besloot de Belastingdienst dat mijn toeslagen voor 2014 waren vastgesteld op basis van een jaarsalaris van EUR 50.413. Ik mocht er tot 29-9-2016 (ruim 8 maanden) op vertrouwen dat de Belastingdienst dit als inkomen voor 2014 zou vaststellen.
Onderdeel 6 - Motivatie / Informatieplicht. De Belastingdienst heeft het besluit helemaal niet gemotiveerd, zodat ze tekort geschoten is in haar motivatieplicht.

Ik heb nog een subsidiair verzoek gedaan om ambtshalve vermindering (art. 9.6 van de Wet Inkomstenbelasting), waarbij de hoogte van de door mij af te dragen belasting over het jaar 2014 bepaald wordt alsof dit salaris in de jaren 2004 t/m 2014 genoten is.

Ik deed ook op 7-11-2016 een verzoek tot middeling van mijn belastingaanslagen over de jaren 2012 t/m 2014 (art. 3.154 van de Wet Inkomstenbelasting). Dit zou zo maar een bedrag van 15.000 euro op kunnen leveren.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:06, in totaal 1 keer bewerkt

#37:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 11 nov 2016 13:03
    —
Firestarter schreef:
Op 4-10-2016 oordeelde de bestuursrechter mijn verzet van 13-7-2016 ongegrond. De bestuursrechter bevestigt dat het redelijk is dat de Belastingdienst tot 31-12-2017 kan wachten om mijn aangifte van 19-10-2015 te beoordelen.
Op 10-11-2016 heb ik cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen het ongegrond oordeel van de bestuursrechter op mijn verzet. Ik heb kort samengevat 6 argumenten ingebracht tegen deze uitspraak.

Onderdeel 1 - Ingebrekestelling (Art. 6:12 AWB). Uit art. 4:14 lid 3 AWB blijkt dat een bestuursorgaan bij het ontbreken van een wettelijke termijn binnen 8 weken een beschikking moet geven, zodat art. 6:12 AWB wel toepasselijk is (of moet zijn).
Onderdeel 2 - Voortvarendheidvereiste / Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (art. 6, 13 EVRM). De bestuursrechter stelt dat een belanghebbende niet kan afdwingen dat de Belastingdienst binnen een redelijke termijn een aanslag vaststelt. Dit is in strijd met art. 6 en/of 13 EVRM, waaruit blijkt dat een belanghebbende een daadwerkelijk rechtsmiddel (en binnen een redelijke termijn) moet hebben.
Onderdeel 3 - Onrechtmatige daad, Wanprestatie (Art. 6:74 BW, Art. 6:162 BW, Art. 1 Protocol 1 EVRM). De bestuursrechter heeft mijn stelling genegeerd dat de Belastingdienst onrechtmatige daad en/of wanprestatie heeft geleverd. Omdat de Belastingdienst zich zo ernstig misdragen heeft, is het onredelijk als ik belasting voor het jaar 2014 moet betalen.
Onderdeel 4 - Uitspraken niet aangetekend verstuurd (art. 8:37 lid 1 AWB). De bestuursrechter heeft de uitspraken van 9-6-2016 en 4-10-2016 niet per aangetekende post verstuurd.
Onderdeel 5 - Uitspraak verzet niet binnen 6 weken (art. 8:55e lid 1 AWB). De bestuursrechter heeft mijn verzet van 13-7-2016 niet binnen de wettelijke termijn van 6 weken beoordeeld (maar pas op 4-10-2016).
Onderdeel 6 - Bewijs achtergehouden (art. 8:42 lid 1). De Belastingdienst heeft bij het verweerschrift van 12-5-2016 meerdere relevante stukken niet overlegd, zodat de bestuursrechter niet beschikte over de benodigde gegevens om mijn beroep te beoordelen.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:07, in totaal 1 keer bewerkt

#38:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 22 dec 2016 18:14
    —
Verrassend genoeg stelde de Belastingdienst op 16-12-2016 de voorlopige aanslag voor 2015 vast in overeenstemming met mijn aangifte, zodat ik ruim 6500 euro terugkreeg.
Nu vind ik het enigszins bizar dat de Belastingdienst belasting van mij kan inhouden zonder een definitief besluit te nemen, maar nu is de vraag of ik daartoe actie moet (kan?) nemen. Een bestuursorgaan heeft de plicht om binnen 8 weken een besluit te nemen, maar een voorlopige aanslag is geen werkelijk besluit.

Minder verrassend is het dat de Belastingdienst simpelweg niet heeft gereageerd op mijn middelingsverzoek en bezwaar van 7-11-2016 tegen de Belastingaanslag van 2014 (d.d. 27-9-2016).
Op 21-12-2016 heb ik de Belastingdienst 3 keer in gebreke gesteld (art. 6:12 AWB): 2 keer voor het niet de ontvangst bevestigen (van middelingsverzoek en bezwaar) en voor het niet binnen 6 weken mijn bezwaar beoordelen (art. 7:10 AWB).
Nu moet de Belastingdienst dus binnen 2 weken besluiten op mijn bezwaar. Ik kon de Belastingdienst nog niet in gebreke stellen voor het niet tijdig beoordelen van mijn middelingsverzoek, omdat als ik het goed begrijp die termijn 8 weken is, die nog niet verstreken zijn.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:08, in totaal 1 keer bewerkt

#39:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 11 jan 2017 13:10
    —
Na mijn ingebrekestelling van 21-12-2016 had ik nog steeds geen reactie van de Belastingdienst ontvangen, dus verzond ik op 10-1-2017 mijn beroep aan de rechter, voor het niet tijdig: de ontvangst bevestigen van mijn middelingverzoek en bezwaar en het niet tijdig besluiten op mijn bezwaar van 7-11-2016.
Op 10-1-2017 (dus dezelfde dag) ontving ik het besluit van de Belastingdienst, verkeerd gedateerd op 5-1-2017, waarin het besluit:

Mijn bezwaarschrift is niet ontvankelijk, omdat deze op 29-9-2016 is binnengekomen, terwijl de aanslag gedagtekend is op 8-11-2011. Ja, dat staat er echt!
Dit heeft dus betrekking op mijn bezwaar van 7-11-2016 tegen de belastingaanslag van 2014 die ik op 27-9-2016 ontving.

Mijn subsidiaire verzoek (als mijn bezwaar tegen de aangifte van 2014 wordt afgewezen) om ambtshalve vermindering (ex art. 9.6 Wet Inkomstenbelasting 2001), dat mijn achterstallig salaris over 2004-2014 bepaald wordt alsof dit genoten is van 2004 t/m 2014, is afgewezen.
Mijn middelingverzoek over de jaren 2012-2014 is ook afgewezen.
Voor deze verzoeken is de reden dat ik cassatie bij de Hoge Raad heb ingesteld over het niet tijdig een belastingaanslag vaststellen voor 2014 na mijn aangifte van 19-10-2015.

Ik heb inmiddels al een heleboel kromme juridische argumentatie gezien, maar dit komt misschien wel op de eerste plaats.
Ik kan binnen 6 weken: 1) beroep instellen over het afwijzen van mijn bezwaar en 2) bezwaar maken tegen het afwijzen van mijn middelingverzoek.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:09, in totaal 1 keer bewerkt

#40:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 15 feb 2017 12:55
    —
Op 1-2-2017 heb ik beroep ingesteld na het niet-ontvankelijk oordeel van de Belastingdienst op mijn bezwaar. De bestuursrechter heeft nog altijd niet de ontvangst bevestigd...

Op 14-2-2017 heb ik bezwaar gemaakt tegen:
1) het afwijzen van mijn verzoeken om ambtshalve vermindering van mijn achterstallig salaris over 2004-2014, omdat het onredelijk is als dit volledig in 2014 belast wordt.
2) subsidiair - het afwijzen van mijn verzoek om middeling van mijn belasting over 2012 - 2014.

Ik denk dat ik ook nog tijdig een Conclusie van repliek indien bij de Hoge Raad in de cassatie, nadat mijn beroep over het niet tijdig een aanslag vaststellen na mijn aangifte van 19-10-2015 niet-ontvankelijk is beoordeeld. Dit moet binnen 4 weken nadat het verweer van de Belastingdienst (d.d. 12-1-2017) mij is toegezonden op 24-1-2017.
Dat verweer is dus niet binnen 4 weken na 10-11-2016 ingediend (art. 8:42 lid 1 AWB).
De Belastingdienst heeft in wezen maar 1 argument. Volgens de Belastingdienst staat in art. 11 lid 3 AWR de termijn die bij wettelijk voorschrift is bepaald om een aanslag vast te stellen.
Ik ben geen specialist in belastingkromspraak, maar volgens mij is art. 11 lid 3 AWR de verjaringstermijn van 3 jaar, die bepaald dat de belasting voor aanslagbelastingen verjaard is 3 jaar na het ontstaan van de belastingschuld (voor 2014 op 31-12-2017 verjaard).

De Hoge Raad heeft me deze maand laten weten dat ze verwacht nog een half jaar nodig te hebben, voor het wijzen van arrest.
De Hoge Raad heeft me ook nog geinformeerd dat alleen een advocaat een (bij voorkeur schriftelijk) pleidooi kan doen bij de Hoge Raad.

Misschien is het juridisch ook nog interessant dat ik nu tegelijk en onafhankelijk: I) beroep heb ingesteld tegen het niet-ontvankelijk oordeel van mijn bezwaar tegen de belastingaanslag voor 2014 en II) bezwaar heb gemaakt tegen het afwijzen van mijn verzoeken om ambtshalve vermindering en middeling.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:10, in totaal 1 keer bewerkt

#41:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 21 feb 2017 12:59
    —
Blijkbaar is het motto van de Belastingdienst - Krommer kunnen we het niet maken.

Op 16-2-2017 stuurde de bestuursrechter mij het verweer van Belastingdienst (d.d. 27-1-2017) in mijn beroep van 10-1-2017 (na de ingebrekestelling van 21-12-2016). Ik heb geen reden om te geloven dat dit verweer correct gedateerd is.
Weinig verrassend is het dat de Belastingdienst zich op de datering van het besluit van 5-1-2017 beroept (wat zou betekenen dat deze tijdig is - 2 weken na de ingebrekestelling).
Firestarter schreef:
Op 10-1-2017 (dus dezelfde dag) ontving ik het besluit van de Belastingdienst, verkeerd gedateerd op 5-1-2017, waarin het besluit:

Mijn bezwaarschrift is niet ontvankelijk, omdat deze op 29-9-2016 is binnengekomen, terwijl de aanslag gedagtekend is op 8-11-2011. Ja, dat staat er echt!
Dit heeft dus betrekking op mijn bezwaar van 7-11-2016 tegen de belastingaanslag van 2014 die ik op 27-9-2016 ontving.
Nu stelt de Belastingdienst in een bijzonder staaltje van kromspraak, dat omdat de genoemde redenen om mijn bezwaar tegen de aanslag voor 2014 niet-ontvankelijk te verklaren belachelijk zijn, de bestuursrechter de zaak terug moet verwijzen, zodat ze een nieuw besluit kan nemen.

Belastingdienst stelt nu ineens dat mijn verzoek om middeling niet-ontvankelijk is op grond van het niet bestaande art. 3:154, lid 10 AWB.

De bestuursrechter heeft nog steeds niet de ontvangst van mijn beroep van 1-2-2017 bevestigd. Op 20-2-2017 heb ik de bestuursrechter in gebreke gesteld.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:11, in totaal 1 keer bewerkt

#42:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: zo 12 mrt 2017 19:23
    —
Op 3-3-217 ontving ik 2 uitspraken van de bestuursrechter (d.d. 28-2-2017), die mijn (gesplitste) beroep van 10-1-2017 niet-ontvankelijk beoordeelt.

Het beroep tegen het niet tijdig beoordelen van mijn bezwaar is niet-ontvankelijk omdat de Belastingdienst het besluit, dat ik op 10-1-2017 ontving, op 5-1-2017 heeft gedateerd (waarmee het 2 weken na mijn ingebrekestelling - dus tijdig - genomen zou zijn).
Het beroep tegen het niet tijdig de ontvangst bevestigen van mijn middelingverzoek is niet-ontvankelijk, omdat een bestuursorgaan niet aangemaand kan worden om een ontvangstbevestiging te sturen.
Als ik het goed begrijp, stelt de rechter dat een bestuursorgaan niet in gebreke gesteld kan worden voor het niet tijdig een ontvangstbevestiging sturen, omdat dit geen besluit is.

Ik kan binnen 6 weken tegen deze uitspraken in verzet gaan.
Het splitsen van dit beroep en de uitspraken zo verschillend mogelijk maken, is een truc om mij met een extra tijdsbesteding op te zadelen.

Op 11-3-2017 ontving ik de ontvangstbevestiging (d.d. 7-3-2017) op mijn bezwaar van 14-2-2017 tegen het afwijzen van mijn verzoek om ambtshalve vermindering van de belastingaangifte van 2014.
De Belastingdienst heeft met verwijzing naar art. 7:10, lid 3 AWB besloten om zich een extra termijn van 6 weken te geven om dit bezwaar te beoordelen - pas op 11-5-2017 (volgens mij is daar geen enkel rechtsmiddel tegen).

De Belastingdienst herhaalt dat het rechtens juist is, dat mijn achterstallig salaris over 2004 tot 2014 volledig in 2014 belast wordt en daarom van plan is mijn bezwaar af te wijzen.
Dat wist ik al, daarom heb ik dus een verzoek om ambtshalve vermindering gedaan...


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:11, in totaal 2 keer bewerkt

#43:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 11 apr 2017 15:27
    —
Firestarter schreef:
Op 3-3-217 ontving ik 2 uitspraken van de bestuursrechter (d.d. 28-2-2017), die mijn (gesplitste) beroep van 10-1-2017 niet-ontvankelijk beoordeelt.
Op 4-4-2017 ging ik in verzet tegen het oordeel van de bestuursrechter, dat de Belastingdienst niet te laat was om de ontvangst van mijn bezwaar en beroep te bevestigen en mijn bezwaar te beoordelen.


Firestarter schreef:
Firestarter schreef:
Op 4-10-2016 oordeelde de bestuursrechter mijn verzet van 13-7-2016 ongegrond. De bestuursrechter bevestigt dat het redelijk is dat de Belastingdienst tot 31-12-2017 kan wachten om mijn aangifte van 19-10-2015 te beoordelen.
Op 10-11-2016 heb ik cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen het ongegrond oordeel van de bestuursrechter op mijn verzet. Ik heb kort samengevat 6 argumenten ingebracht tegen deze uitspraak.
Op 31-3-2017 heeft de Hoge Raad mijn cassatieberoep over het niet tijdig de belastingaanslag vaststellen van mijn aangifte voor 2014 in de doofpot gestopt.
De Hoge Raad heeft simpelweg geweigerd mijn rechtsklachten te bespreken met een beroep op art. 81, lid 1 RO: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:547

Volgens mij was mijn cassatieberoep van 9-12-2016 voldoende om de uitspraken van de bestuursrechter te vernietigen: http://rechtenforum.nl/forum/thread/title/Cassatieberoep+na+ingebrekestelling+%96+Belastingrecht/t/45840/

Volgens de theorie van een eerlijke rechtspraak heb ik recht op "onafhankelijke" rechters. De volgende informatie heb ik over de juristen gevonden, die deze uitspraak op hun geweten hebben.

Zowel Th. Groeneveld als A.F.M.Q. Beukers-van Dooren doceren bij het De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) in procesvoering, o.a. aan ambtenaren van de Belastingdienst: http://www.nob.net/procesvoering
Volgens de website van het NOB: De NOB behartigt de belangen van haar leden, die - al dan niet in dienstbetrekking - werkzaam zijn als belastingadviseur. Vanuit deze doelstelling bevordert de NOB zowel de beoefening van het belastingrecht als een kwalitatief goede beroepsuitoefening.

Zowel Groeneveld als Beukers-van Dooren werken voor Kluwer (respectievelijk vanaf 2001 en 2013)
Kluwer is 1 van de uitgevers die niet-anonieme publicaties hebben verspreid, waaruit blijkt dat ik een half jaar ben gemarteld in een psychiatrisch ziekenhuis, omdat ik ontzettend "gevaarlijk" ben.
Mijn klacht tegen Kluwer bij de Raad voor de Journalistiek is niet-ontvankelijk beoordeeld, omdat Kluwer niet gehouden is aan de bepalingen waaraan journalisten (in theorie) gehouden zijn.
Groeneveld is ook rechter bij de Raad voor de Journalistiek vanaf 2007.

Zowel Groeneveld, Beukers-van Dooren als J. Wortel zijn Raadsheer geweest bij het Gerechtshof Amsterdam (die dus in mijn rechtszaak op oneigenlijke gronden mijn vorderingen tegen Abn amro niet volledig hebben toegewezen): Groeneveld 1986-2002; Beukers-van Dooren 2007-2012; Wortel 1998, 1999 en 2008-2012.

Ik vind het verder opvallend dat A.F.M.Q. Beukers-van Dooren pas vanaf 1-3-2017 Raadsheer is bij de Hoge Raad.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:13, in totaal 1 keer bewerkt

#44:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: zo 30 apr 2017 18:30
    —
Op 29-4-2017 ontving ik het besluit (d.d. 1-5-2017) op mijn bezwaar van 14-2-2017 tegen het afwijzen van mijn verzoek om ambtshalve vermindering van mijn belastingaanslag van 2014.
Weinig verrassend dat de Belastingdienst dit afwijst met de woorden "Van een ander (eerder) genietingsmoment is niet gebleken".
Als ik het goed begrijp zegt de Belastingdienst dus dat er geen enkele reden kan zijn voor ambtshalve vermindering als een aanslag rechtens juist is...

Ik kan hiertegen binnen 6 weken in beroep gaan.



Firestarter schreef:
Blijkbaar is het motto van de Belastingdienst - Krommer kunnen we het niet maken.
Ik was wel verrast door de bijlage van 26-4-2017, waaruit blijkt dat de Belastingdienst dit besluit aan de rechter heeft gezonden, met een voorstel:
Quote:
Dan wil ik u om proceseconomische gronden voorstellen de onder nummer HAA/xx/xx lopende procedure voort te zetten als beroep tegen de laatstgenoemde uitspraak.
De Belastingdienst wil dus dat dit besluit (d.d. 1-5-2017) in de plaats komt van het eerdere besluit d.d. 5-1-2017, zodat ik ook maar meteen geen mogelijkheid krijg om argumenten in een beroepschrift te formuleren, terwijl de Belastingdienst ineens opnieuw de kans krijgt om een verweerschrift in te dienen.

Dit verzoek om ambtshalve vermindering, waar het hier om gaat, heeft geen relevantie voor mijn eerdere beroep tegen het afwijzen van mijn bezwaar tegen de aanslag van 2014. Andersom trouwens wel.
De Belastingdienst heeft dus opnieuw Onrechtmatige Daad gepleegd door de Wet Bescherming Persoonsgegevens te schenden door informatie aan de rechtbank te sturen, waar ze geen recht op heeft.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:14, in totaal 1 keer bewerkt

#45:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: zo 11 jun 2017 15:31
    —
Firestarter schreef:
Blijkbaar is het motto van de Belastingdienst - Krommer kunnen we het niet maken.

Na mijn belastingaangifte van 29-4-2017 (voor het jaar 2016) ontving ik op 10-6-2017 een brief getiteld "Geen voorlopige aanslag":
Quote:
U heeft onlangs een aangifte inkomstenbelasting en premie voklsverzekeringen 2016 gedaan.
De gegevens die u daarin heeft vermeld, leiden ertoe dat u geen voorlopige aanslag krijgt.



Firestarter schreef:
Op 29-4-2017 ontving ik het besluit (d.d. 1-5-2017) op mijn bezwaar van 14-2-2017 tegen het afwijzen van mijn verzoek om ambtshalve vermindering van mijn belastingaanslag van 2014.

De "onafhankelijke" bestuursrechter heeft voor het gemak maar "vergeten" de ontvangst te bevestigen van mijn beroep van 31-5-2017 tegen het afwijzen van mijn verzoek om ambtshalve vermindering (en het daarop volgende bezwaar).
Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt.

Weliswaar heeft de bestuursrechter de plicht om binnen een week de ontvangst van een beroepschrift te bevestigen (art. 7 lid 1 van de Procesregeling bestuursrecht 2013), maar in een dictatuur als Nederland zijn rechters grotere criminelen dan gedetineerden.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:15, in totaal 2 keer bewerkt

#46:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 14 jul 2017 17:47
    —
Firestarter schreef:
Firestarter schreef:
Op 3-3-217 ontving ik 2 uitspraken van de bestuursrechter (d.d. 28-2-2017), die mijn (gesplitste) beroep van 10-1-2017 niet-ontvankelijk beoordeelt.
Op 4-4-2017 ging ik in verzet tegen het oordeel van de bestuursrechter, dat de Belastingdienst niet te laat was om de ontvangst van mijn bezwaar en beroep te bevestigen en mijn bezwaar te beoordelen.

Op 13-7-2017, ontving ik (eindelijk) de 2 uitspraken van de rechtbank op mijn verzet van 4-4-2017. De uitspraken zijn gedateerd op 14-6-2017 en in de begeleidende brief (d.d. 11-7-2017) staat, dat ik de eerder aangetekende verzonden uitspraken niet heb opgehaald.
De uitspraken hadden binnen 6 weken na mijn verzet van 4-4-2017 gedaan moeten worden (art. 8:55e, lid 6 AWB).

Mijn beroep (en dus ook mijn verzet) had betrekking op niet tijdig (d.w.z. binnen 2 weken) na mijn ingebrekestelling van 21-12-2016:
1 - de ontvangst bevestigen van mijn verzoek om ambtshalve vermindering;
2 - de ontvangst bevestigen van mijn bezwaar na het afwijzen van mijn verzoek om ambtshalve vermindering;
3 - een oordeel geven op mijn bezwaar tegen het niet ontvankelijk oordeel van mijn verzoek om ambtshalve vermindering.

De rechter heeft geoordeeld dat de Belastingdienst geen enkele plicht heeft om (tijdig) een ontvangstbevestiging te verzenden, waarmee 1) en 2) afgewezen zijn.
Quote:
Voor zover opposant erover klaagt dat de inspecteur niet tijdig een ontvangstbevestiging heeft verzonden oordeelt de rechtbank dat, anders dan opposant veronderstelt, dat geen aanleiding geeft tot het vaststellen van een dwangsom.


Wat betreft 3) oordeelt de rechter dat, omdat de Belastingdienst (uiterlijk) op 9-1-2017 een besluit heeft genomen, na mijn ingebrekestelling van 21-12-2016, ik geen recht heb op een dwangsom (terwijl de termijn van 2 weken op 5-1-2017 verstreken was...), ik citeer:
Quote:
Opposant stelt dat hij de op 5 januari 2017 gedagtekende uitspraak van de inspecteur op 10 januari 2017 heeft ontvangen. De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat de inspecteur de uitspraak uiterlijk op 9 januari 2017 aan PostNL heeft aangeboden ter verzending en derhalve uiterlijk op 9 januari 2017 zijn beslissing heeft bekendgemaakt. Vaststaat dat het beroepschrift van opposant op 11 januari 2017 bij de rechtbank is ingekomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur heeft beslist binnen twee weken na de ingebrekestelling door opposant te hebben ontvangen. Het beroep voldoet dan ook niet aan de daaraan te stellen eisen. Het voorgaande brengt tevens met zich mee dat er geen reden is voor vaststelling van een dwangsom.


Ik kan nog binnen 6 weken in cassatie gaan bij de Hoge Raad, volgens mijn berekening zou me dat maximaal 2 maal (1. is volgens mij kansloos) 4 dagen een dwangsom kunnen opleveren...

Het is zeker niet de eerste keer dat ik brieven (van rechtbank of anderszins) niet tijdig ontvangen heb.
Zelfs onze "onafhankelijke" staatsmedia hebben enige kritiek op het goedkeuren van de nieuwe "aftapwet" door de eerste kamer (blijkbaar maakt het niet zo veel verschil dat het kabinet demissionair is): https://www.rtlnieuws.nl/nederland/politiek/omstreden-aftapwet-gaat-om-meer-dan-aftappen-dit-zijn-de-hoofdpunten

Nadat de wet is ingevoerd, kunnen AIVD en MIVD praktisch zonder belemmeringen data verzamelen, inclusief van mensen die niet verdacht worden van een misdrijf.
Het volgende voorbeeld werd gegeven. De AIVD kan telecom aanbieders vragen om al het chatverkeer in een stad van 400.000 inwoners, omdat ze interesse hebben in 200 mensen.
De AIVD en MIVD zijn ook bevoegd in te breken in huizen, om bijvoorbeeld afluisterapparatuur te installeren of documenten te vernietigen.
De AIVD en MIVD kunnen deze gegevens ook doorverkopen aan "betrouwbare" partners, als de CIA en MI5...

Hier is het (inmiddels goedgekeurde) wetsvoorstel "Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten": https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/10/28/voorstel-van-wet-inzake-wijziging-wet-op-de-inlichtingen-en-veiligheidsdienten

Ik vind het meest interessante - artikel 41.
Volgens art. 41, kunnen de inlichtingendiensten agenten van nieuwe identiteiten voorzien, die kunnen meewerken aan criminele activiteiten...
Quote:
1. De diensten zijn bevoegd tot de inzet van natuurlijke personen, al dan niet onder dekmantel van een aangenomen identiteit of hoedanigheid, die onder verantwoordelijkheid en onder instructie van een dienst zijn belast met het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van de dienst van belang kunnen zijn. De bij of krachtens de wet geldende voorschriften betreffende de verstrekking van gegevens, die gelden voor een natuurlijke persoon als bedoeld in de eerste volzin zijn niet van toepassing op de verstrekking van zodanige gegevens door deze persoon aan de dienst.
(...)
4. De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, kan bij instructie van de dienst tevens worden belast met het verrichten van handelingen die tot gevolg kunnen hebben dat medewerking wordt verleend aan het plegen van een strafbaar feit, dan wel een strafbaar feit wordt gepleegd. Een instructie als bedoeld in de eerste volzin wordt slechts gegeven, indien een goede taakuitvoering van de dienst dan wel de veiligheid van de betrokken natuurlijke persoon daartoe noodzaakt.


In art. 21 van de (huidige) "Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten" zijn vergelijkbare bepalingen opgenomen: http://maxius.nl/wet-op-de-inlichtingen--en-veiligheidsdiensten-2002/artikel21

Misschien dat zelfs sommige juristen het met mij eens zijn dat dit bewijst dat de overheid van ons platte Nederland een criminele organisatie is.
En zo is belasting betalen dan - per definitie - het steunen van een criminele organisatie, wat strafbaar is op grond van art. 140, lid 4, Wetboek van Strafrecht.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 25 feb 2018 19:38, in totaal 3 keer bewerkt

#47:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 25 aug 2017 14:19
    —
Vanochtend om iets over 9:00 begon de rechtszitting in Haarlem in mijn beide beroepen m.b.t. de belastingaanslag voor het jaar 2014. Dit was de kortste rechtszitting die ik heb meegemaakt, met nog geen 15 minuten.
De belastingdienst had 2 medewerkers gestuurd, die niet zo veel hadden toe te voegen. De rechter (A.A. Fase) stelde mij meer vragen over de procedure dan over belastingtechnische kwesties.

1 - Middelingverzoek
Ik erkende dat ik geen beroep had in kunnen stellen tegen het afwijzen van mijn middelingverzoek, omdat mijn aanslag voor 2014 nog niet definitief is.
De rechter reageerde daarop dat door het instellen van beroep de aanslag nog niet definitief is waardoor ik nog geen middelingverzoek kan doen, zodat het verstandig is dat ik mijn beroep intrek.
Ik reageerde dat ik dat niet wil.

2 - Gegrond bezwaar en beroep
Firestarter schreef:
Op 10-1-2017 (dus dezelfde dag) ontving ik het besluit van de Belastingdienst, verkeerd gedateerd op 5-1-2017, waarin het besluit:

Mijn bezwaarschrift is niet ontvankelijk, omdat deze op 29-9-2016 is binnengekomen, terwijl de aanslag gedagtekend is op 8-11-2011. Ja, dat staat er echt!
Dit heeft dus betrekking op mijn bezwaar van 7-11-2016 tegen de belastingaanslag van 2014 die ik op 27-9-2016 ontving.
De belastingdienst heeft erkend dat de niet-ontvankelijk oordelen op grond van verkeerde datums, onjuist is.
a) De rechter stelde dat omdat mijn beroep al gegrond is, het voor de hand ligt om het beroep tegen het niet-ontvankelijk oordeel van mijn (eerste) bezwaar terug te verwijzen naar de belastingdienst, zodat die een nieuw besluit kan nemen, maar dat ik in dat beroep kan verzoeken om "een inhoudelijk oordeel" op mijn bezwaar. Ik stelde dat ik een inhoudelijk oordeel wil, omdat belastingdienst de zaak alleen vertraagt en ik wel kan vermoeden wat voor besluit genomen zal worden.
b) De rechter stelde dat omdat mijn bezwaar tegen het niet-ontvankelijk oordeel van het verzoek ambtshalve vermindering al gegrond is, ik geen belang meer heb bij dat (tweede) beroep. Ik stelde dat ik daarbij wel degelijk belang heb, omdat belastingdienst de aanslag niet heeft verminderd maar gehandhaafd, en ik daartegen in beroep ben gegaan.
De rechter reageerde dat het eigenlijk niet zo veel uitmaakt of mijn aanslag verminderd wordt: i) formeel langs het bezwaar tegen de aanslag of ii) via het verzoek ambtshalve vermindering, omdat dit maar "juridische haarkloverij" is. Ik stelde dat dit wel degelijk uitmaakt.

3 - Rentedragend
Volgens belastingdienst waren mijn vorderingen pas rentedragend vanaf het (definitieve) arrest van het Hof in 2014 en dit wordt bevestigd door de ingebrachte jurisprudentie.
Ik stelde dat die jurisprudentie geen betrekking heeft op een werknemer, die "gewoon" in dienst is maar waarvan de werkgever geen zin heeft om het reguliere salaris te betalen. Indien anders is het arrest van het Hof van 2010 en/of het arrest van de Hoge Raad van 2012 bepalend.

A.A. Fase werkt behalve voor de Rechtbank Noord-Holland zowel voor het Gerechtshof te Amsterdam en voor SDU uitgevers (vanaf 2006), dus ik hoef me geen zorgen te maken over belangenverstrengeling...
Ik kan de uitspraken verwachten op 6-10-2017.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:20, in totaal 1 keer bewerkt

#48:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 01 nov 2017 17:37
    —
Op 23-10-2017 heeft de bestuursrechter mijn beroep tegen het volledig in 2014 belasten van mijn achterstallig salaris van 2004-2014 formeel gegrond verklaard, omdat de Belastingdienst niet op grond van belachelijke data mijn bezwaar had kunnen afwijzen: dat mijn bezwaar van 7-11-2016 op 29-9-2016 is ontvangen en de aanslag voor 2014 gedagtekend is op 8-11-2016.
Dit betekent dat ik de bepaalde griffierechten terugkrijg, maar vervolgens wordt de belastingaanslag van 2014 (voor ruim 2 ton) gehandhaafd...
De bestuursrechtter had binnen 6 weken na de zitting van 25-8-2017 moeten oordelen (art. 8:66, lid 1 AWB).

Voor zover ik het kan beoordelen zijn mijn belangrijkste argumenten dat mijn achterstallig salaris van 2004-2013 niet in 2014 belast mag worden:
Firestarter schreef:
- Vorderbaar en inbaar (art. 13a, lid 1, onderdeel b van de Wet op de Loonbelasting en art. 3:146, lid 1, onderdeel e van de Wet Inkomstenbelasting van 2001). Ik heb "al" op 14-9-2005 gevorderd dat Abn amro mijn (achterstallig) salaris voldeed t/m een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst. Volgens de uitspraak van het Hof van 16-9-2014 was het loon bovendien inbaar, alleen heeft Abn amro ten onrechte jarenlang niet betaald.
- Rentedragend (art. 13a, lid 1, onderdeel a van de Wet op de Loonbelasting en art. 3:146, lid 1, onderdeel d van de Wet Inkomstenbelasting). Mijn loon is rentedragend vanaf het moment dat Abn amro mijn loon niet tijdig betaald heeft (dus aan het einde van iedere maand waarop het loon betaald moest worden). Dat het Hof in zijn uitspraak de wettelijke rente niet heeft toegekend, is niet relevant.

Firestarter schreef:
Ik heb informatie en jurisprudentie gevonden over de bepalingen "vorderbaar en inbaar" en "rentedragend". Vorderbaar betekent het moment, dat mijn werkgever uiterlijk had moeten betalen (dus het einde van iedere maand waarop het loon betrekking heeft) en inbaar betekent dat mijn werkgever ook in staat is om te betalen (dus solvabel is), zie: http://loonzaken.sdu.nl/thema/20100413%20loon%20vorderbaar%20en%20inbaar.xml/Loon%20vorderbaar%20en%20inbaar.html

Dit betekent dat mijn achterstallig salaris voor 2004-2013, maar pas in 2014 betaald werd, "gewoon" in de jaren waarop dit betrekking heeft, belast moet worden...

Firestarter schreef:
Onderdeel 4 - Evenredigheidsprincipe. Ik was van 2004 t/m 2014 "gewoon" in dienst van ABN AMRO. Het is in strijd met het evenredigheidsprincipe dat ik eerst gedupeerd wordt doordat mijn salaris niet (tijdig) betaald wordt en vervolgens nogmaals gedupeerd, doordat de Belastingdienst mij nog eens extra straft voor de onbehoorlijke handelswijze van ABN AMRO.

Het evenredigheidsprincipe is volgens mij vergelijkbaar met het verbod op discriminatie. Andere werknemers van ABN AMRO kregen wel gewoon hun salaris op de reguliere tijdstippen betaald (en belast)...

De rechter heeft hieraan de volgende rechtsoverwegingen gewijd:
Quote:
Voor het standpunt van eiser dat het loon moet worden toegerekend aan de jaren waarop het betrekking heeft, bieden de Wet en de daarop gebaseerde regelingen geen steun. (...)

Eiser betoogt voorts dat het loon aan het einde van elke maand waarover het is berekend rentedragend is geworden in de zin van artikel 3.146, eerste lid, onderdeel d, van de Wet. Uit het hierboven weergegeven arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 september 2014 volgt dat over het aan eiser te betalen loon wettelijke rente is verschuldigd. Zoals uit het arrest Hoge Raad 1 juni 1997, nr. 18 209, BNB 1977/167 volgt, kan het verschuldigd worden van wettelijke rente niet worden begrepen onder rentedragend worden in de zin van voormelde wettelijke bepaling. In gelijke zin besliste het gerechtshof Den Bosch 25 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3880. Het beroep op genoemde wetsbepaling faalt derhalve. (...)

Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat eisers grieven tegen de aanslag geen doel treffen. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, kunnen niet tot het oordeel leiden dat een juiste wetstoepassing achterwege moet blijven, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder deze beginselen heeft geschonden.


De rechter heeft naar jurisprudentie verwezen, die geen betrekking heeft op regulier salaris, zoals in mijn geval.
De jurisprudentie van 25-9-2014 betreft een algemeen directeur, die na zijn ontslag nog 8 jaar (tot 2009) moest wachten voordat zijn "winstaandeel" pas uitgekeerd werd, na een uitspraak van de rechter in 2009. Dit winstaandeel werd in 2009 belast: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:3880

Dit heeft geen relevantie in mijn situatie, waarbij het om regulier salaris gaat.
Schijnbaar is er dus geen jurisprudentie, die bepaalt dat een werkgever als ABN AMRO naar willekeur kan bepalen om salaris niet te betalen. Waarna dat achterstallig salaris dan in een later jaar (wanneer het pas uitgekeerd wordt) belast wordt...



De rechter heeft bovendien gesteld dat mijn (tweede) beroep, m.b.t. het verzoek om ambtshalve vermindering van de belasting voor 2014, niet-ontvankelijk is.
Ik heb gesteld dat het onredelijk is als ik extra gestraft wordt, nadat mijn werkgever ABN AMRO simpelweg weigerde mijn salaris te betalen, door dat achterstallig salaris ook nog eens volledig in 2014 te belasten. De rechter stelt dat ik bij dat beroep geen belang heb:
Quote:
Dit een en ander brengt met zich mee dat eiser geen belang heeft bij een beroep tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de ambtshalve beschikking. De rechtbank zal het beroep met zaaknummer 17/2687 dan ook niet-ontvankelijk verklaren.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:23, in totaal 2 keer bewerkt

#49:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 05 dec 2017 17:32
    —
Ik heb op 4-12-2017 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Haarlem van 23-10-2017 (verzenddatum 24-10-2017).

Ik ben er (eindelijk) achter waarvoor het verzoek om ambtshalve vermindering bedoeld is (art. 9.6 Wet Inkomstenbelasting 2001). Iemand kan zo'n verzoek doen als er geen andere rechtsmiddelen meer open staan, bijvoorbeeld als iemand te laat is met bezwaar maken tegen de belastingaanslag.
De rechter heeft dit (wat krom) genoemd dat ik bij dat beroep "geen belang" heb, maar onjuist is dat niet:
Quote:
Dit een en ander brengt met zich mee dat eiser geen belang heeft bij een beroep tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de ambtshalve beschikking. De rechtbank zal het beroep met zaaknummer 17/2687 dan ook niet-ontvankelijk verklaren.


Ik heb ook geen grief ingebracht tegen het oordeel van de rechter dat het niet in strijd is met het verbod op discriminatie in een "democratische rechtsstaat" dat ons Koninklijk huis zichzelf belastingvrijstelling heeft toegekend, maar ik belasting moet betalen. Volgens de rechter:
Quote:
Reeds omdat het staatshoofd en eiser geen gelijke gevallen zijn, kan het tussen beide gevallen gemaakte onderscheid er niet toe leiden dat het in voormeld verdrag genoemde discriminatieverbod is geschonden.


Ik zal in de rest van dit bericht jurisprudentie beschrijven, waaraan ik gerefereerd heb in mijn hoger beroep.
Het is om 1 of andere reden lastig om over het rechtsonderwerp belastingen jurisprudentie te vinden...


Vorderbaar en inbaar
HR 16 september 1953, nr. 11 462, BNB 1953/220 - Een vordering is "vorderbaar en inbaar", zodra de schuldeiser recht heeft op dadelijke betaling en de vordering kan worden opgevorderd. Dit is van toepassing bij regulier loon.
HR 18 december 1985, nr. 23 186, BNB 1986/49 - Uitzendkrachten kregen vakantiegeld niet betaald in het jaar waarop hun arbeidsovereenkomst eindigde (ondanks dat ze daar recht op hadden). Het genietingmoment werd vastgesteld in het jaar dat zij er eerst om hadden kunnen verzoeken.
HR 22 februari 1989, nr. 25 961, BNB 1989/124 - Hier werd woninghuur niet (tijdig) betaald. De Hoge Raad oordeelde dat de (niet betaalde) huur wel was genoten op het tijdstip dat het "vorderbaar en inbaar" was. Huur valt trouwens tegenwoordig niet onder art. 3.146 van de Wet Inkomstenbelasting 2001.

HR 3 maart 1993, nr. 28 842, BNB 1993/128 - Een gepensioneerde sprak in 1984 af dat pensioen naar een goed doel zou gaan, deze overleed later in het jaar 1984. Nabestaanden stelden dat de overledene het pensioen niet genoten had, omdat hij daarvan afstand had gedaan. De Hoge Raad bepaalde dat dit pensioen genoten en belastbaar was in 1984.
Van deze jurisprudentie weet ik niet hoe ik die moet vertalen naar mijn situatie.


Rentedragend
Zowel de Belastingdienst als de rechter hebben verwezen naar: Hoge Raad 1 juni 1977, nr. 18 209, BNB 1977/167: http://rechtenforum.nl/forum/thread/p/223160/#223160
Het ging hier om een vergoeding, die na een uitspraak van de kantonrechter van 29-12-1972 (pas) in 1973 belast werd, waarbij de moratoire interessen, die vanaf 29-12-1972 verschuldigd waren, niet het genietingmoment bepaalde. Het betreft hier dus een vordering, die op 29-12-1972 ontstond.
Volgens deze jurisprudentie zou mijn achterstallig salaris tot 2011 uiterlijk in 2010 of 2011 belast moeten worden, na de uitspraak van het Hof van 12-10-2010. Of in 2012, na de uitspraak van de Hoge Raad van 22-6-2012.


Voortvarendheidvereiste
HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5080 en HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5087 - Hieruit blijkt dat een belanghebbende aanspraak maakt op een vergoeding van de geleden (immateriele) schade, als een belastinggeschil onredelijk lang duurt.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 4 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA3163 - Op 26-1-2005 stelde de Belastinginspecteur een boekenonderzoek in, waarna op 13-7-2006 een strafrechtelijk onderzoek startte dat op 4-7-2007 werd afgesloten. Op 28-11-2006 kreeg de Belastingdienst toestemming de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek voor fiscale doeleinden te gebruiken.
Op 26-4-2007 ontving de Belastingdienst informatie uit Duitsland. Het Hof en Rechtbank oordeelden dat de Inspecteur niet voldoende voortvarend gehandeld had door (pas) op 14-4-2008 navorderingsaanslagen op te leggen en vernietigde deze aanslagen.
Hof Den Haag, 14 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3388 - Eind augustus 2006 was de identificatie al rond, terwijl de belanghebbende pas in maart 2007 werd aangeschreven. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur door 7 maanden te talmen niet voldoende voortvarend had gehandeld. Dit was reden de navorderingsaanslagen te vernietigen en de verhogingen en boetes te matigen.

Ter vergelijking: ik deed op 19-10-2015 belastingaangifte voor 2014 waarna - 11 maanden en 10 dagen later - op 29-9-2016 de belastingaanslag werd vastgesteld.


Evenredigheidsprincipe / Verbod op discriminatie (art. 14 en Protocol 12 EVRM)
Ik heb hierover nog steeds geen goede jurisprudentie (van de Hoge Raad) gevonden.
RB Haarlem 23 maart 2010, LJN BL9691 - De Rechtbank oordeelde dat niet betaalde loon wel genoten was, maar dat het in strijd met het evenredigheidsprincipe was als dit belast werd. Voor zijn dochter werd namelijk het niet betaalde loon van dezelfde werkgever niet belast.


Vertrouwensbeginsel
HR 12 april 1978, BNB 1978/135-137 - de zogenaamde "doorbraakarresten" bepalen dat het vertrouwensbeginsel een reden kan zijn om een belastingaanslag te vernietigen.


Laatst aangepast door Firestarter op zo 18 feb 2018 18:26, in totaal 1 keer bewerkt

#50:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 05 jan 2018 14:40
    —
Firestarter schreef:
Op 31-10-2016 deed ik belastingaangifte voor het jaar 2015, waarbij ik 0 voor spaargeld invulde en een negatief inkomen voor het bedrag dat ik terug moest betalen in 2015 (met betrekking tot de uitkering in 2014 die omgezet was in een lening).
Op 20-12-2017 ontving ik een brief van de Belastingdienst (d.d. 15-12-2017) over mijn aangifte voor 2015.

Hierin staat dat de Belastingdienst van plan is mijn volledige spaargeld te belasten. Dat had ik wel verwacht.
Mijn spaargeld was vanaf begin juni 2015 geblokkeerd door een onrechtmatige beslaglegging met steun van de Orde van advocaten, de voorzitter van de Raad van Discipline in Amsterdam (Schoonbrood-Wessels) en Rabobank (die verbonden is aan het advocatenkantoor De Brauw Blackstone Westbroek en de Rothschild familie).
Hieruit trek ik de conclusie dat dit blijkbaar niet "van mij" was en/of ik daar niet van heb kunnen genieten.

Ik was wel verrast door het plan van de Belastingdienst om de ontslagvergoeding van EUR 26.560 voor ontbinding van mijn arbeidsovereenkomst met ABN AMRO per 1-12-2015 te belasten als "inkomsten uit vroegere arbeid" (zoals pensioen of WAO)...
Met als gevolg dat ik geen gebruik kan maken van de lagere belastingschijven.
Het was simpel op internet te vinden, dat dit niet klopt. Zie b.v. de volgende link waaruit blijkt dat een ontslagvergoeding opgeteld wordt bij het gewone loon, waarna het totaal belast wordt (als loon): https://ontslag.nl/ontslagvergoeding-en-transitievergoeding/hoeveel-belasting-moet-er-een-ontslagvergoeding-betaald-worden/


De Belastingdienst gaf aan dat dit een naslagheffing van een kleine EUR 8000 tot gevolg zou hebben. Ik kreeg tot 5-1-2015 de tijd om de Belastingdienst te voorzien van informatie.
Ik heb gisteren de brief verstuurd met o.a. de volgende informatie.

1 - Uitspraak kantonrechter Amsterdam d.d. 20-10-2015 (over de ontslagvergoeding)

2 - Exploten d.d. 2-6-2015 en 15-7-2015
Inclusief de beschikkingen van de voorzieningenrechter van 15-5-2015 en 10-7-2015, waarin toestemming gegeven wordt voor conservatoir beslag.

3 - Brief Rabobank d.d. 3-6-2015
In deze brief informeerde Rabobank Amsterdam me dat mijn gehele vermogen geblokkeerd is door de onrechtmatige beslaglegging onder Rabobank Nederland.


Het is wat eigenaardig dat de Belastingdienst spaargeld belast alsof daar inkomsten van 4% per jaar op worden gehaald.
De spaarrente op mijn spaarrekeningen is iets van 0.2%...

#51:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 16 mrt 2018 12:56
    —
Op 2-2-2018 ontving ik de (definitieve) belastingaanslag voor 2015, zonder ontvangstbevestiging van de informatie die ik op 4-1-2018 had ingediend.

Op 8-2-2018 kreeg ik een nieuw besluit (?) dat de Belastingdienst mij uitstel van betaling verleend had, omdat ik bezwaar had gemaakt tegen de aanslag.

Op 14-3-2018 maakte ik bezwaar tegen de belastingaanslag met (o.a.) de volgende redenen.

1) De belastingaanslag is geen “normale” aanslag
Normaal gesproken is op de 2e bladzijde een vak met kleur, met een onderbouwing hoe de hoogte van de aanslag is bepaald. In mijn aanslag voor 2015, ontbreek o.a. het (verzamel)inkomen.
Als ik het goed begrijp, heeft de Belastingdienst mijn ontslagvergoeding in 2015 niet als “gewoon” maar als “achterstallig loon” belast. Ik was weliswaar “gewoon” in dienst van ABN AMRO in 2015, maar in een dictatuur als Nederland is willekeur de modus operandi van de overheid.

2) Onvoldoende voortvarend gehandeld
Na mijn aangifte van 31-10-2016, heeft de Belastingdienst pas op 2-2-2018 de aanslag vastgesteld (15 maanden later).
Belastingdienst wil me vervolgens 4% wettelijk rente in rekening brengen vanaf de voorlopige aanslag van 13-12-2016 tot 2-2-2018.

3) Geen wettelijke rente toegekend
Op 13-12-2016 besloot Belastingdienst dat ik € 6559 terugkrijg. Op 2-2-2018 besloot Belastingdienst dat ik (zonder wettelijk rente) € 3856 had moeten betalen.
Belastingdienst erkent dat ik in november 2015 € 2703 te veel belasting betaalde, maar heeft me niet de verschuldigde wettelijke rente toegekend (van november 2015 tot december 2016).

4) De overheid is een criminele organisatie (art. 140, lid 4, Wetboek van Strafrecht)
Op grond van art. 140, lid 4, Wetboek van Strafrecht is het een strafbaar feit om een criminele organisatie als de overheid (financieel) te steunen. Dat de Nederlandse overheid een criminele organisatie is, blijkt uit:
A. Er is vanaf 3-6-2015 op onrechtmatige wijze beslag gelegd op mijn vermogen: http://rechtenforum.nl/forum/thread/t/41161/postdays/0/postorder/asc/?start=15

B. Uit art. 52 Drinkwaterwet blijkt dat “Drinkwaterbedrijven” op “aan te geven” wijze “drinkwater” aan consumenten leveren dat schadelijk is voor de gezondheid. Blijkbaar worden onderdanen in het Koninkrijk der Nederland (systematisch) vergiftigd.
Op grond van het Bouwbesluit kan de overheid gebouwen laten slopen om de uitvoering van art. 52 Drinkwaterwet mogelijk te maken.

C. Volgens art. 21 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten blijkt dat geheim agenten actief deelnemen aan criminele activiteiten (praktisch zonder voorbehoud).

D. Hoogverraad (Wetboek van Strafrecht art. 92-107a) juncto GW art. 24
“Koning” Willem-Alexander (net als Beatrix, Juliana en Wilhelmina) is op grond van art. 24 GW niet het rechtsgeldige staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden. Koning Willem III was met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid al onvruchtbaar toen hij op 61-jarige leeftijd trouwde met de 40 jaar jongere Koningin Emma (moeder van Wilhelmina).

4) Subsidiair - Spaargeld niet van mij
Als het volledig blokkeren van mijn bankrekeningen niet het werk was van een criminele organisatie, dan was dit geld dus (rechtsgeldig) niet van mij. Dus kan ik hiervoor niet belast worden.

#52:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 10 mei 2018 12:25
    —
Firestarter schreef:
Op 14-3-2018 maakte ik bezwaar tegen de belastingaanslag met (o.a.) de volgende redenen.
Ik heb geen enkele reactie gekregen op mijn bezwaar. De Belastingdienst had binnen 2 weken een ontvangstbevestiging moeten sturen en binnen 6 weken een besluit moeten nemen.
Op 9-5-2018 heb ik de Belastingdienst in gebreke gesteld.


Firestarter schreef:
C. Volgens art. 21 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten blijkt dat geheim agenten actief deelnemen aan criminele activiteiten (praktisch zonder voorbehoud).

In August 2013, zei voormalig burgemeester van Amsterdam Ed Van Thijn (die moest aftreden in zijn kortstondig optreden als minister vanwege de IRT-affaire) over het plan om de overhead actief te laten meewerken met criminele activiteiten:
Quote:
Ik ben verbijsterd. Leren we dan nooit van het verleden? Het parlement heeft geen collectief geheugen.
Ik ben geschokt over zoveel hardleersheid. Het is niet te sturen, per definitie niet. Want men moet in een goed blaadje komen bij de maffia. Hoe de minister dat denkt te kunnen sturen is mij een raadsel.


Toen minister van Binnenlandse Zaken Ien Dales hoorde van de plannen om tonnen hard drugs “gecontroleerd” Nederland binnen te laten, zei ze naar verluidt: “Tot de grond toe afbranden”.
Ien Dales viel zo maar opeens dood neer op 10-1-1994; een duidelijk geval van een “hartaanval”.

De Commissie onder leiding van Maarten van Traa “onderzocht” de IRT-affaire en slaagde er niet volledig in om alle schandalen in de doofpot te stoppen.
Maarten van Traa stierf uiterst plotseling in een “auto-ongeluk” op 20-10-1997.

Niet alleen de BVD was actief betrokken bij de massale import van allerlei soorten drugs, maar tevens de CID en de FIOD (onderdeel van de Belastingdienst).
FIOD ambtenaar Cees de Jongh was naar verluid specialist in de "gecontroleerde" import van drugs. Cees de Jongh werkte samen met Frits van der Putten van de CID.
De Jongh kocht aiki-Budo centra met het drugsgeld, zonder dat dit onderzocht werd.

Minister van Justitie sinds 1989 Ernst Hirsch Balin keurde de "gecontroleerde" invoer van drugs goed.
In 1994 moest Hirsch Balin ontslag nemen als minister voor de IRT-affaire. Op 8-10-1994 (en opnieuw in 2010 en 2014) ontving hij een mooie ridderorde als beloning.
Op 1-11-2000 werd Hirsch Balin door Beatrix geselecteerd voor de Raad van State. Op 22-9-2006 werd Hirsch Balin opnieuw Minister van Justitie


De IRT-operatie werd in december 1993 opgeschort

Fred Teeven was de leidinggevende van Cees de Jongh. Teeven beweerde later van niets te weten. De Jongh stelde dat Teeven volledige op de hoogte was van zijn activiteiten.
In 1999, sloot Teeven een deal met Mink K.
Fred Teeven and Martin Witteveen maakte ook een deal met een andere drugscrimineel - Ad Karman.

Cees de Jongh werd veroordeeld tot een boete van 500 miljoen gulden. In 1993 werd 6 miljoen van zijn vermogen in beslag genomen.
Teeven sloot ook een deal met De Jongh, die een boete kreeg van 750.000 gulden en de rest van het geld belastingvrij kon houden. Onderdeel van de afspraak was dat De Jongh uit de gevangenis werd vrijgelaten, nog voordat hij een pardon kreeg van Koningin Beatrix.

Een getuige heeft beweerd dat Mink K. aan het begin van de jaren 1990 1,2 miljoen gulden aan Fred Teeven betaalde om een geconfisqueerde container met 2.500 kilo cocaĂŻne terug te krijgen.
Teeven kreeg later nog eens 500.000 gulden voor de deal met Mink K.

Toen Fred Teeven later Staatssecretaris van Justitie werd, hield hij toezicht op de deal met Cees de Jongh.
In maart 2014 beweerde minister van Justitie Ivo Opstelten en Fred Teeven dat Cees de Jongh “slechts” 2 miljoen had gekregen.
Nadat er bewijs werd gelekt aan de pers dat Cees de Jongh een gouden handdruk van 4,7 miljoen gulden had meegekregen, moesten op 9-3-2015 Opstelten en Teeven ontslag nemen in de "bonnetjes affaire".
Hofnar-President Mark Rutte (studiegenootje van Willem-Alexander in Leiden) gaf toe dat de deal tussen Teeven en De Jongh in een moois staaltje van “justitie” was goedgekeurd. Rutte legde uit dat een nieuwe commissie moest "onderzoeken" wie er bewijs lekte dat Cees de Jongh wegliep met 4,7 miljoen gulden (in plaats van 2 miljoen): https://www.vn.nl/de-dealmaker-waarheidsvinding-volgens-fred-teeven/


Het (eind) rapport van de Commissie Van Traa (bijlage X) bevat een lijst van (anonieme) advocaten die betrokken waren bij de georganiseerde misdaad (inclusief witwasgeld).
Advocaat # 25 waste geld voor de organisatie van Klaas Bruinsma (Bruinsma werd op 27-6-1991 in Amsterdam geliquideerd) en Etienne Urka. Het was niet moeilijk om uit te vinden dat Frits Salomonson bedoeld werd en het bedrijf Text Lite. Salomonson was een goede vriend van Beatrix sinds ze in Leiden studeerden, van 1976 tot 1996 juridisch adviseur van Beatrix.
Salomonson trok zich terug als adviseur van Beatrix en verhuisde naar België.
Salomonson was ook plaatsvervangend kantonrechter in Amsterdam.

Van 1984 tot 1988 was Salomonson hoofd van de adviesraad van Text Lite en bleef adviseur tot het bedrijf in 1990 instortte, met een tekort van 31 miljoen gulden.
Salomonson was van 1991 tot 1995 partner bij het advocatenkantoor Boekel de Nerée, waar sinds ongeveer 1979 Rutger Schimmelpenninck ook een partner was. Schimmelpenninck werd de curator voor Text Lite, maar trok zich uiteindelijk terug omdat de belangenverstrengeling iets te duidelijk was.
Rutger Jan Schimmelpenninck werd later partner in Houthoff Buruma, bestuurslid van de ABN AMRO en curator van de DSB Bank (die failliet ging m.b.v. voormalig minister en later directeur van ABN AMRO Gerrit Zalm): http://archive.is/pVVfa


In 1994 werd advocaat Oscar Hammerstein, een vriendje van Salomonson, die ook een bestuurslid was van Janzing, door de FIOD 'onderzocht' voor het witwassen van 17,5 miljoen gulden drugsgeld voor de organisatie “van” Klaas Bruinsma.
In juli 1995 werd Hammerstein in hoger beroep vrijgesproken.

De Amsterdamse crimineel Charly Wong sprak met Parooljournalist Bart Middelburg in een poging het Text Lite schandaal in de openbaarheid te brenen.
In 1993 verdween Wong. Zijn lijk werd een paar maanden later gevonden in de bossen bij Lelystad: https://www.groene.nl/artikel/advocaat-van-oranje

#53:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 11 jul 2018 11:11
    —
Dubbel

Laatst aangepast door Firestarter op wo 11 jul 2018 11:14, in totaal 1 keer bewerkt

#54:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 11 jul 2018 11:12
    —
Na mijn ingebrekestelling van 9-5-2018 ontving ik op 5-6-2018 twee besluiten (d.d. 1-6-2018), dat:
1) Mij een dwangsom van 4 dagen (totaal EUR 80) is toegekend. De Belastingdienst stelde dat mijn ingebrekestelling van 9-5-2018 (pas) op 14-5-2018 ontvangen was (10-5-2018 was Hemelvaartsdag, waarom niet op 11-5-2018 bezorgd?).
2) Dat mijn bezwaar is afgewezen.

Op 10-7-2018 stelde ik beroep in bij de rechtbank Noord-Holland.
Toen ik bij het postkantoor aan de Insulindeweg in Amsterdam kwam, stond ik in de rij achter een telefonerende man. Toen hij ophing, vroeg hij een pen om een adres op een envelop te schrijven. Ik stond inmiddels al enkele minuten te wachten en vroeg “zou ik misschien iets per post kunnen versturen”?
Als antwoord werd ik afgesnauwd dat beide apparaten niet in gebruik zijn. Toen ik wat gefrustreerd wegliep, werd de vrouw, die achter mij stond, direct geholpen.
Bij het 2e postkantoor werd ik “gewoon” geholpen


Wettelijke rente - Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR)
Op 31-10-2016 had ik aangifte gedaan voor 2015. Ik ontving de voorlopige aanslag op 13-12-2016 (binnen 7 weken), waarin de Belastingdienst erkent dat ik in november 2015 EUR 2703 te veel belasting betaald had.
Uit art. 30fa, lid 1, onderdeel b AWR blijkt dat als de Belastingdienst binnen 13 weken een voorlopige aanslag vaststelt na de aangifte, het geen wettelijke rente verschuldigd is. Ondanks dus dat de staatsbank ABN AMRO in november 2015 (zelfs volgens het standpunt van de Belastingdienst) al duizenden Euros te veel belasting had ingehouden.
Uit art. 30fc, leden 2 en 3 AWR blijkt dan dat de Belastingdienst zelf wettelijke rente in rekening brengt vanaf 1-7-2016 (tot 16-3-2018?). Dat is dus langer dan de termijn waarover ik de beschikking had over dat geld (dat werd pas ruim 5 œ maanden later gestort na de voorlopige aanslag d.d. 16-12-2016).

Ontvangstontkenningen
Op 7-6-2018 stuurde de Belastingdienst mij een brief dat ik alsnog EUR 4119 moet betalen (i.o.m. de aanslag waartegen ik bezwaar gemaakt had) binnen 10 dagen, die vanwege de juridische kromspraak nauwelijks leesbaar is.
Hierin stond dat ik het betalingskenmerk van de originele acceptgiro in moest vullen (mogelijk dat ik die nog ergens heb liggen) of als ik die niet meer heb het aanslagnummer en het kenmerk van de brief als betalingskenmerk op moet geven. Het kenmerk van de brief is mijn Burgers Spionage Nummer, die ook in het aanslagnummer staat. Ik vulde dus (alleen) het aanslagnummer in bij mijn overboeking van EUR 4119 op 18-6-2018.

Op 26-6-2018 kreeg ik een Betalingsherinnering als ontvangstontkenning.
Op 27-6-2018 belde ik met de Belastingdienst, die me (na me ruim 10 minuten laten wachten) vertelde omdat ik niet het “juiste betalingskenmerk” ingevuld had, dit handmatig gecorrigeerd zou moeten worden waardoor ze het pas op zijn vroegst op 2-7-2018 zou kunnen zien. Maar me de “geruststellende” mededeling deed dat omdat ik het aanslagnummer had ingevuld dit waarschijnlijk wel “goed zou komen”. Ik verzocht zonder succes om een bevestiging.

Op 18-6-2018 deed ik belastingaangifte voor 2017, waarbij ik (voor de verandering) geen enkele wijziging aanbracht in de vooraf ingevulde gegevens.
Op 30-6-2018 stuurde de Belastingdienst mij een ontvangstontkenning, dat ik voor 1-8-2018 aangifte moet doen.

#55:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: ma 20 aug 2018 17:01
    —
Blijkbaar is het motto van de Belastingdienst – Misdadiger kunnen we het niet maken...

Nadat ik op 18-6-2018 EUR 4119 overmaakte en de ontvangstontkenning op 26-6-2018, ontving ik op 12-7-2018 dan toch de ontvangstbevestiging (d.d. 5-7-2018).
Op 13-7-2018 kreeg ik een nieuw besluit, dat de Belastingdienst besloten had een invorderingsrente van EUR 41 in rekening te brengen, zonder betalingstermijn.

Nadat de Belastingdienst op 2-2-2018 de aanslag voor 2015 had vastgesteld, besloot het al op 8-2-2018 dat mij uitstel van betaling verleend was.
Op 5-6-2018 ontving ik het besluit van Belastingdienst (d.d. 1-6-2018) dat mijn bezwaar was afgewezen.
Op 7-6-2018 stuurde de Belastingdienst mij een brief dat ik alsnog EUR 4119 moet betalen binnen 10 dagen, die op 18-6-2018 werd overgemaakt (ik had de betalingsopdracht al 2 dagen eerder op zaterdag gegeven).
Kort samengevat is mij dus een periode van 3-2-2018 tot 8-2-2018 en van 8-6-2018 tot 15-6-2018 gegund om te betalen (voor een som van EUR 4119).

Op 31-7-2018 besloot de Belastingdienst mij aan te manen voor een extra EUR 7 (totaalsom EUR 48), omdat ik niet had betaald binnen de niet gespecificeerde betalingstermijn (van de brief van 13-7-2018).
Ik heb besloten dat het voor EUR 48 niet de moeite is om bezwaar (en beroep) in te stellen.

Ik kreeg ook nog op 3-8-2018 een voorlopige aanslag van EUR 2396 voor het jaar 2017 (na de ontvangstontkenning van 30-6-2018).

#56:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 17 jan 2019 17:57
    —
Gisteren, 16-1-2019, was de zitting in mijn beroep tegen de aanslag voor 2015, waarin de Belastingdienst heeft geconcludeerd dat op de ontslagvergoeding niet de arbeidskorting van toepassing is en mijn spaargeld “gewoon” belast moet worden, ondanks dat dit voor het grootste deel van het jaar geblokkeerd werd door een onrechtmatige beslaglegging.

Voordat de zitting begon, benadrukte de 2 juristen van de Belastingdienst bij de bode dat de zitting gesloten is. Waarop ik heel naief reageerde dat ik dacht dat “in een dictatuur als Nederland rechtszittingen openbaar zijn”.
In het Koninkrijk der Nederlanden is het inderdaad gebruikelijk dat, in een knap staaltje van “openbaarheid van rechtspraak”, zittingen in belastinggeschillen achter gesloten deuren plaatsvinden.

Bij binnenkomst bleek een “anonieme collega” van de rechter achter in de zaal te zitten. Deze had een document in zijn handen waarop hij tijdens de zitting enkele aantekeningen maakte. Dit document leek op de eerdere uitspraak m.b.t. het volledig in 2014 belasten van mijn achterstallig loon van 2004-2013.

Op de vraag van de rechter om een toelichting op de aanslag omdat “er geen touw aan vast te knopen” is, begon de vertegenwoordiger van de belastingdienst te stamelen dat dit zo “aangeleverd” is door de werkgever, die “waarschijnlijk een fout heeft gemaakt” en dat daar niets aan te doen valt.

De Belastingdienst stelde dat de aanslag van 2-2-2018 tijdig is, na mijn aangifte van 31-10-2016, omdat de wettelijke toegestane termijn 3 jaar is en dat ze verder alleen “voortvarend” hoeven te handelen bij een navorderingsaanslag met een termijn van 12 jaar.
Bizar genoeg stelde de Belastingdienst dat ook de aanslag tijdig, ruim binnen 1 jaar, werd vastgesteld en het totale geschil niet te lang duurt, omdat deze 2 jaar mag duren. Na mijn aangifte duurde het ruim 13 œ maanden voordat de aanslag werd vastgesteld. Sinds mijn aangifte voor 2015 is er al ruim 2 jaar en 2 1/2 maand verstreken.


Firestarter schreef:
Op 31-7-2018 besloot de Belastingdienst mij aan te manen voor een extra EUR 7 (totaalsom EUR 48), omdat ik niet had betaald binnen de niet gespecificeerde betalingstermijn (van de brief van 13-7-2018).
Ik heb besloten dat het voor EUR 48 niet de moeite is om bezwaar (en beroep) in te stellen.
Belastingdienst stelt dat mijn vermeerdering van eis van EUR 48, voor de extra rente en de boete, niet in deze zaak behandeld kan worden, omdat die daarmee niet in verband staat.
Belastingdienst liegt (opnieuw) dat het bedrag van EUR 4119, dat op 18-6-2018 is overgemaakt, pas op 4-7-2018 is “ontvangen”.

Belastingdienst stelt dat het geen hoorplicht heeft in een bezwaar omdat volgens de AWB een aangifte geen aanvraag is in de zin van de AWB.

De rechter probeerde aan het einde van de zitting een tirade te imiteren, dat het in een belastinggeschil niet van belang is of Nederland een democratische rechtsstaat is of een fascistische dictatuur.
Ik hoop dat mijn daarop volgende uitvoering van een “tirade” overtuigender was: “Het is moreel niet verdedigbaar dat verlangd wordt dat iemand een regime financieel moet steunen dat:
Conform art. 52 Drinkwaterwet “drinkwater” aan consumenten levert dat schadelijk is voor de gezondheid;
En conform art. 21, lid 3, van de "Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten" agenten identiteiten laat overnemen, om mee te meewerken aan criminele activiteiten, waaronder drugssmokkel, geld witwassen en moord
”.

Ik vermoed dat de Belastingdienst meer vertrouwen heeft in de onafhankelijkheid van rechter S.K.A. Efstratiades, die ze immers nog kent van de cursus die ze voor de Belastingdienst verzorgt: http://ors.openstate.eu/relations/instantie/Rechtbank+Noord-Holland/mw.+mr.+S.K.A.+Efstratiades+

Misschien dat er niet eens zo veel verschil is tussen een cursus, waar de docent uitlegt hoe de Belastingdienst het volk moet plunderen, of een zitting waar de rechter in wezen hetzelfde doet.
Het is natuurlijk bijzonder “onafhankelijk” dat een rechter in een belastingrechtszaak salaris ontvangt van de Belastingdienst, maar dat is niet de enige manier waarop de Belastingdienst een goede relatie met een rechter kan opbouwen. Per slot van rekening heeft de Belastingdienst de vrijheid om naar willekeur coulant te zijn of een belastingbetaler uit te persen. Het is echter onwaarschijnlijk dat daar misbruik van gemaakt wordt, als het Koninkrijk der Nederlanden een “democratische rechtsstaat” is.
Anders kun je altijd nog een wrakingsverzoek indienen dat dan beoordeeld wordt door collega®s van de gewraakte rechter, die er weliswaar belang bij hebben dat ze “gewoon” kunnen doorgaan met goed verdienende bijbaantjes, maar gelukkig – per definitie - “onafhankelijk” zijn...

Anders is er altijd nog onze “onafhankelijke” pers die immers onder toezicht staat van de “onafhankelijke” Raad voor de Journalistiek. Een deel van deze pers is gehuisvest in het Mediapark, dat het eigendom is van een neef van Willem-Alexander, “pandjesprins” Bernhard Jr.
Vastgoed leent zich uitstekend voor het witwassen van geld, omkoopsommen en commissies. Het is namelijk een fluitje van een cent om een pand beneden de marktprijs te verkopen of boven de marktprijs te kopen.

Er is zelfs volgens onze fantastische media redenen om te twijfelen aan de rechtmatigheid van deze activiteiten van prins Bernhard Jr. In 2018 werd Bernhard Jr. veroordeeld door de gemeente Amsterdam tot het betalen van een dwangsom voor het zonder toestemming verhuren van enkele van zijn 590 panden aan groepen. Bernhard Jr ontkende hiervan te hebben geweten, ook al werd hem hierover een persoonlijk brief gestuurd op 19-6-2017

In Mei 2018, werd het probleem ”opgelost” doordat het vastgoedbedrijf van Bernhard en partners, Pinnacle, toestemming kreeg om de panden aan meerdere personen te verhuren: https://www.parool.nl/amsterdam/dwangsom-voor-prins-bernhard-en-partners~a4620449/ (archived here: http://archive.is/y6hH3)

Vreemd genoeg blijken onze media niet in staat om de waarde van deze 590 “adressen” en het circuit van Zandvoort en Mediapark te schatten. Ik denk dat deze 590 adressen al meer waard zijn dan 400 miljoen Euro...
Nu kun je twijfelen aan de “onafhankelijkheid” van onze nationale media, maar “gelukkig” hebben we ook internationale media, waarvan ik niet zou durven te zeggen dat deze onder het juk van het Huis van Oranje leven.

In 1999, schatte Forbes het vermogen van Beatrix op ÂŁ25 miljard.
Met de opmerking dat vanwege de Nederlandse geheimhouding een betrouwbare schatting nauwelijks mogelijk was: https://www.theguardian.com/uk/1999/jun/30/monarchy.world

De opa van Willem-Alexander en Bernhard Jr., ook Prins Bernhard, klaagde bij Christopher Forbes, die getrouwd is met zijn Duitse nichtje, en redacteur Luisa Kroll dat het vermogen van Oranje overdreven is.
In 2003, publiceerde Forbes, in alle “onafhankelijkheid”, een lijst waarin Beatrix®s waarde was bijgesteld tot $250 million (ongeveer 1% van de schatting in 1999): https://www.newsweek.com/fall-royal-fortune-138375
(gearchiveerd: http://archive.is/aoSe2)

Sindsdien heeft Forbes de waarde van Beatrix ongeveer op dezelfde lage waarde gehouden.

#57:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 05 feb 2019 19:07
    —
Vandaag was de zitting in het hoger beroep tegen de belastingaanslag voor 2014.

Dit moet wel de kortste zitting zijn die ik tot nu heb meegemaakt – ongeveer 7 minuutjes. “Normaal” gesproken wordt er voor de vorm in ieder geval enkele vragen gesteld. Nu de 3 rechters niet 1 vraag stelden, behalve de kans aan ons beiden ons standpunt toe te lichten, betwijfel ik of ze de stukken wel gelezen hebben (maar alleen de samenvatting door de griffier).

Ik was tijdens de zitting veruit het meest aan het woord. Van de 2 juristen voor de Belastingdienst wist de ene die het woord voerde, 2 opmerkingen te maken van het niveau “hij heeft het verweer verkeerd begrepen”.
Voorafgaand aan de zitting waren beide juristen opmerkelijk beter in staat te praten over hun vakantieplannen.

Ik reageerde voornamelijk op de jurisprudentie uit het verweerschrift van de Belastingdienst van 4-9-2018. Ik denk dat ik daarvoor ongeveer 3 œ minuut nodig had.
De Belastingdienst heeft opnieuw verwezen naar jurisprudentie die als de spreekwoordelijke tang op een varken slaat.

Het voornaamste uit mijn pleidooi was (ik weet niet of ik het ook letterlijk zo gezegd heb):
Quote:
De ABN Amro heeft zo maar besloten om het salaris dat ik van 2004 t/m 2013 genoot niet te betalen, maar (pas) na een executoriaal vonnis van 16 september 2014, in 2014. De Inspecteur heeft vervolgens met de collega’s van ABN Amro (destijds volledig in handen van de Nederlandse staat) ook nog maar honderdduizenden Euro’s te veel belasting in te houden op dat salaris.
(...)

De Inspecteur beweert nu dat dit geen ongelijke behandeling is, terwijl andere werknemers van ABN Amro (gewoon) hun salaris betaald kregen (en belast) in het jaar dat dit genoten werd. Het standpunt van de Inspecteur is dus zo ongeveer dat een werkgever naar eigen goeddunken kan bepalen wanneer loon betaald wordt en dat de Inspecteur naar willekeur kan bepalen op dat loon honderdduizenden Euro’s te veel belasting in te houden, dit is niets anders dan “diefstal” en volledig in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Ook uit de gegevens van het UWV blijkt dat het salaris dat betrekking had op de jaren 2004-2013, ik “gewoon” in die jaren genoten heb. Het verweer van de Inspecteur faalt derhalve.



Ik heb het idee dat het niet zo gebruikelijk is dat een werkgever loon jaren te laat uitbetaald aan een werknemer, die “gewoon” in dienst is. Ik heb in ieder geval geen analoge jurisprudentie weten te vinden.
Ik was wat verbaasd over de afsluitende opmerking van de voorzittende rechter dat het een “dik dossier” is. Veruit de “dikste” documenten uit het dossier zijn de door mij bijgevoegde arresten van Gerechtshof en Hoge Raad. Het dossier van mijn eerdere rechtszaak tegen “de bank” is veel dikker: https://rechtenforum.nl/forum/thread/t/40841/postdays/0/postorder/asc/?start=0

Ik kan de uitspraak verwachten over 6 of 12 weken...

#58:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: zo 03 mrt 2019 17:52
    —
Ik had het al verwacht...

Op 19-2-2019 deed het Hof uitspraak, op 22-2-2019 verzonden, in mijn Hoger beroep over het ten onrechte volledig belasten van mijn achterstallig salaris van 2004-2013 in 2014.

Ook op 19-2-2019 deed de kantonrechter uitspraak, op 22-2-2019 verzonden, in mijn Beroep over de belastingaanslag van 2015.


Firestarter schreef:
Na mijn belastingaangifte van 29-4-2017 (voor het jaar 2016) ontving ik op 10-6-2017 een brief getiteld "Geen voorlopige aanslag":
Quote:
U heeft onlangs een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016 gedaan.
De gegevens die u daarin heeft vermeld, leiden ertoe dat u geen voorlopige aanslag krijgt.
Op 28-2-2019 stuurde de belastingdienst mij eindelijk een "verzoek" om aanvullende informatie (voor 14-3-2019) m.b.t. mijn aangifte voor 2016. Met de intentieverklaring mij ruim 8000 euro aan belasting extra te laten betalen (vanwege mijn spaargeld).

Hypothetisch zou ik in staat moeten zijn dit allemaal tijdig (binnen 6 weken cassatie, hoger beroep) te doen.
In ieder geval bevestigt deze handelswijze, anders zou er namelijk geen reden zijn dit te synchroniseren, dat mijn achterstallig salaris van 10 jaar volledig in 2014 belasten, rechtens onjuist is.

#59:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 03 apr 2019 17:38
    —
Op 2-4-2019 heb ik bij de Hoge Raad cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof in mijn hoger beroep over het volledig in 2014 belasten van mijn (achterstallig) salaris van 2004-2014.

Een juridische eigenaardigheid is dat in eerste aanleg, de Rechtbank Haarlem maar één uitspraak deed in mijn 2 beroepen: 1) mijn beroep na mijn “gewone” bezwaar en 2) mijn verzoek ambtshalve vermindering.

Ik heb alleen Hoger Beroep in gesteld in mijn “gewone” bezwaar (het verzoek ambtshalve vermindering is alleen bedoeld als je rechtsmogelijkheden uitgeput zin). Vervolgens heeft het Hof Amsterdam naar eigen goeddunken besloten om de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen in het niet ingestelde hoger beroep “ambtshalve vermindering”.

Ik denk dat het niet moeilijk is te achterhalen waarom de Rechtbank en Hof in strijd met de “gewone” procedure gehandeld hebben.
Firestarter schreef:
Ik was wel verrast door de bijlage van 26-4-2017, waaruit blijkt dat de Belastingdienst dit besluit aan de rechter heeft gezonden, met een voorstel:
Quote:
Dan wil ik u om proceseconomische gronden voorstellen de onder nummer HAA/xx/xx lopende procedure voort te zetten als beroep tegen de laatstgenoemde uitspraak.
De Belastingdienst wil dus dat dit besluit (d.d. 1-5-2017) in de plaats komt van het eerdere besluit d.d. 5-1-2017, zodat ik ook maar meteen geen mogelijkheid krijg om argumenten in een beroepschrift te formuleren, terwijl de Belastingdienst ineens opnieuw de kans krijgt om een verweerschrift in te dienen.


Op 1-2-2017 stelde ik beroep in. Op 28-3-2017 diende de Belastingdienst het verweerschrift in (dat had binnen 4 weken moeten gebeuren art. 8:42 AWB). In dit verweerschrift verzocht de Belastingdienst alleen om vernietiging van de aanslag met terugverwijzing.
Ook in hoger beroep heeft de Belastingdienst, voorzover het is toegestaan om “nieuw” verweer te voeren in hoger beroep, nauwelijks verweer gevoerd.

Nu stelt het Hof desondanks dat de Belastingdienst gemotiveerd verweer heeft gevoerd in eerste aanleg en in hoger beroep...

Nadat ik op 31-5-2017 beroep instelde over de “ambtshalve vermindering” heeft de Belastingdienst op 29-6-2017 een verweerschrift ingediend met “gemotiveerd verweer”.
Het Hof beroept zich nu op dit verweer om te stellen dat er “gemotiveerd verweer” is gevoerd...


Ik heb ook nog jurisprudentie gevonden dat mijn achterstallig salaris gewoon genoten en belast moet worden in de jaren waarop het betrekking had - HR 1 maart, BNB B 8789:
Quote:
dat zich in een geval als het onderhavige de vraag voordoet of met betrekking tot loon, dat vorderbaar en tevens inbaar, doch nog niet uitbetaald of verrekend is, met het inhouden van loonbelasting dient te worden gewacht tot tijd en wijle het loon metterdaad wordt uitbetaald of verrekend, dan wel het loon op het ogenblik, dat het vorderbaar en tevens inbaar wordt, moet worden aangemerkt als ter beschikking gesteld, zodat de ter zake verschuldigde loonbelasting op dat ogenblik moet worden ingehouden;
dat vóór laatstgenoemde opvatting pleit, dat daarin het tijdstip van de heffing der belasting over reeds vorderbaar en inbaar loon niet van de willekeur van de betrokkenen afhankelijk is, en dat daarin de ongerijmdheid, waarop de Minister in zijn toelichting tot het middel wijst en ter vermijding waarvan hij de geheel op den duidelijken tekst van genoemd art. 15 steunende beslissing van de raad van beroep verwerpt; zich niet voordoet;
dat op dien grond deze opvatting de voorkeur verdient en mitsdien het middel waarin van de andere opvatting wordt uitgegaan, ongegrond is;

#60:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 05 apr 2019 16:46
    —
Op 4-4-2019 heb ik hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem in mijn beroep over mijn belastingaanslag van 2015.

De rechtbank vind het niet onvoldoende voortvarend dat de belastingdienst na mijn aangifte van 31-10-2016 pas op 2-2-2018 de aanslag vaststelde.

Voor zover ik het kan beoordelen heeft de rechter niet eens uitdrukkelijk geoordeeld (behalve in de eind Beslissing) waarom op mijn ontslagvergoeding niet de arbeidskorting toegepast wordt.
In Rov. 11 heeft de rechtbank verwezen naar jurisprudentie HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:165. In die zaak was de werknemer op 31-10-2005 vrijgesteld van het verrichten van arbeid en op 1-12-2005 aangemerkt als “boventallig”, waarna het salaris in 2005 werd belast als een huidige dienstbetrekking en in 2006 als een voorgaande dienstbetrekking.

Vervolgens stelt de rechtbank dan in Rov. 12:
Quote:
Onjuist is derhalve de stelling van eiser dat het enkele bestaan van een dienstbetrekking meebrengt dat daaruit genoten loon behoort tot het arbeidsinkomen als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet IB.

Dat heb ik niet gesteld, daarnaast is hier niet een conclusie genomen dat mijn ontslagvergoeding als uit een voorgaande dienstbetrekking belast moet worden.
De belastingdienst en rechtbank hebben wĂ©l de € 772, die ABN AMRO mij in 2015 betaalde, belast als uit een huidige dienstbetrekking.

In een ander knap staaltje van juridische “rechtvaardigheid” zijn de belastingdienst en rechtbank “vergeten” om de door mij terugbetaalde € 2.088 aan de Gemeente Amsterdam (dat belast is in 2014) in mindering te brengen op de belastingaanslag van 2015.

#61:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 15 mei 2019 17:40
    —
Nadat op 28-2-2019 de Belastingdienst mij de kans gaf om voor 14-3-2019 informatie in te dienen, zond ik op 12-3-2019 stukken aan de Belastingdienst, waaruit blijkt dat het grootste deel van 2016 “mijn” banktegoeden geblokkeerd waren door een onrechtmatige beslaglegging.
Op 2-4-2019 ontving ik de belastingaanslag voor 2016 (d.d. 5-4-2019), na mijn aangifte van 29-4-2017 (de aanslag was ruim een jaar en elf maanden week na de aangifte). Volgens de Belastingdienst is het irrelevant dat vanaf 1-1-2016 t/m 6-12-2016 mijn tegoeden geblokkeerd waren door een onrechtmatige beslaglegging, zodat ik € 2.795 extra belasting moet betalen, inclusief € 195 rente.
Op 11-5-2019 maakte ik hiertegen bezwaar.


Op 3-5-2019 heb ik de griffierechten voor mijn recente hoger beroep en cassatieberoep betaald. De nota voor het hoger beroep is d.d. 6-4-2019, binnen 4 weken te betalen.
Op 11-5-2019 haalde ik de aangetekende betalingsherinnering, voor de griffierechten in hoger beroep, op (terwijl ik tijdig betaald heb). Deze is waarschijnlijk verstuurd op 8-5-2019 en is gedateerd op zondag 5-5-2019.

#62:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 29 mei 2019 11:30
    —
Firestarter schreef:
Op 2-4-2019 ontving ik de belastingaanslag voor 2016 (d.d. 5-4-2019), na mijn aangifte van 29-4-2017 (de aanslag was ruim een jaar en elf maanden week na de aangifte). Volgens de Belastingdienst is het irrelevant dat vanaf 1-1-2016 t/m 6-12-2016 mijn tegoeden geblokkeerd waren door een onrechtmatige beslaglegging, zodat ik € 2.795 extra belasting moet betalen, inclusief € 195 rente.

Op 27-5-2019 bevestigde de Belastingdienst de ontvangst van mijn bezwaar van 11-5-2019.

De Belastingdienst heeft de eigenaardige rechtsopvatting dat ze maar liefst 18 weken de tijd hebben om mijn bezwaar te beoordelen.
Volgens de Belastingdienst hebben ze standaard 12 weken de tijd en kan dan deze beslistermijn “eenmalig eenzijdig verlengen” met nogmaals 6 weken, zodat ze op 18 weken uitkomen


Volgens art. 7:10, lid 1 van de AWB heeft de Belastingdienst alleen als een “commissie” ingesteld is, 12 weken om een bezwaar te beoordelen.
Vervolgens kan de Belastingdienst met toepassing van art. 7:10, lid 3 van de AWB de termijn met nogmaals 6 weken verlengen.

Nu vraag ik me af vanaf wanneer ik de Belastingdienst voor het eerst in gebreke kan stellen (art. 6:12 van de AWB).
Ik vraag me namelijk af of ik dat al vanaf 6 weken kan doen, aangezien de opvatting van de Belastingdienst dat ze standaard 12 weken de tijd heeft, terwijl geen sprake is van een commissie, rechtens onjuist is. Zodat logisch gezien de verlenging met 6 weken ook niet rechtsgeldig is.

Naar mijn ervaring is de Nederlandse rechtsspraak zo krom als een hoepel, dus ik denk dat ik 12 weken moet wachten (een te vroege ingebrekestelling is niet rechtsgeldig).

#63:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 05 jul 2019 17:34
    —
Op 15-6-2019 ontving ik het verweer van de Staatssecretaris van financiën d.d. 27-5-2019 in de cassatie van mijn beroep tegen de belastingaanslag voor 2014, met de kans om binnen 4 weken, na verzenddatum 11-6-2019, een repliek in te dienen.
Op 4-7-2019 heb ik een Conclusie van Repliek ingediend.

De Staatssecretaris van financiĂ«n stelt dat de “brief van 7 maart 2017” en “inhoudelijk verweer” dat betrekking heeft op het verzoek ambtshalve vermindering, als verweer “kan dienen” in het “normale” beroep (na mijn bezwaar tegen de aanslag van 2014).

Opnieuw is verwezen naar HR 1 juni 1977, nr. 18 209, BNB 1977/167...
Firestarter schreef:
Zowel de Belastingdienst als de rechter hebben verwezen naar: Hoge Raad 1 juni 1977, nr. 18 209, BNB 1977/167: http://rechtenforum.nl/forum/thread/p/223160/#223160
Het ging hier om een vergoeding, die na een uitspraak van de kantonrechter van 29-12-1972 (pas) in 1973 belast werd, waarbij de moratoire interessen, die vanaf 29-12-1972 verschuldigd waren, niet het genietingmoment bepaalde. Het betreft hier dus een vordering, die op 29-12-1972 ontstond.



Deze keer is verwezen naar de relevante jurisprudentie HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252 om (opnieuw) te stellen dat de Belastingdienst niet binnen een (redelijke) termijn een aanslag hoeft vast te stellen na de aangifte, als dit maar gebeurt binnen de verjaringstermijn van 3 jaar van art. 11, lid 3, AWR.
Uit deze jurisprudentie blijkt dat de Belastingdienst binnen een redelijke termijn moet handelen in onderdelen van een belastingzaak én in de totale belastingzaak en dat dit beoordeelt moet worden volgens art. 6 EVRM (waarvan het Hof gesteld had dat het niet van belang is in belastingzaken...).

Zie Rov. 3.3.3 en 3.9.1 van HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252:
Quote:
3.3.3
Bij de beoordeling of de in aanmerking te nemen termijn als een redelijke termijn is aan te merken, dient in het licht van de rechtspraak van het EHRM niet alleen te worden gelet op de verschillende in die periode doorlopen fasen van de procesgang afzonderlijk, maar ook op de duur van de totale procedure (vgl. HR 26 oktober 1988, nr. 25383, BNB 1989/16).”

3.9.1
In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie (zie de arresten BNB 2011/232 en BNB 2014/200). Het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) kan door de belastingrechter tot vergoeding van die schade worden veroordeeld. Betreft een procedure zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete, dan worden de immateriële schadevergoeding en de boetevermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn naast elkaar toegepast (zie HR 10 juni 2011, nr. 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234; hierna: het arrest BNB 2011/234).



Ik kreeg ook nog een brief dat ik de Conclusie A-G uiterlijk 31-10-2019 kan verwachten; en dat ik (maar) 2 weken heb om daarop te reageren...

#64:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 02 okt 2019 17:40
    —
Firestarter schreef:
Op 27-5-2019 bevestigde de Belastingdienst de ontvangst van mijn bezwaar van 11-5-2019.

De Belastingdienst heeft de eigenaardige rechtsopvatting dat ze maar liefst 18 weken de tijd hebben om mijn bezwaar te beoordelen.

Op 6-8-2019 stelde ik de Belastingdienst in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

Op 24-8-2019 ontving ik het Besluit (d.d. 21-8-2019) dat mijn belaste spaartegoeden verminderd zijn met een "geschatte schuld" van EUR 10.000, omdat ik hypothetisch (als een advocaat voor mijn belangen had opgekomen) de onrechtmatige blokkade van mijn tegoeden had kunnen opheffen door "zekerheid" te stellen.

Op 28-8-2019 ontving ik de Ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling (d.d. 23-8-2019) , waarin de dwangsom wordt afgewezen, omdat het besluit (verkeerd) gedateerd was op 21-8-2019 (zodat deze tijdig zou zijn).

Op 5-9-2019 ontving ik de Verrekening dat ik EUR 2.704 moet betalen (in plaats van EUR 2.795).
Nadat ik EUR 2.704 had overgemaakt, kreeg ik eerst een ontvangstontkenning en kort daarna op 26-9-2019 dat het bedrag ontvangen was en ik nog een additionele EUR 35 invorderingsrente moet betalen.

Op 30-9-2019 stelde ik beroep in tegen het Besluit d.d. 21-8-2019.

#65:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 15 okt 2019 15:36
    —
De uitspraak van het Hof van 19-2-2019 over de belastingaanslag van 2014 is inmiddels gepubliceerd (zelfs ABN Amro is uit de uitspraak geanonimiseerd, terwijl de bijbehorende arresten in mijn rechtszaak tegen de bank simpel te vinden zijn): https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:855

Er is ook een annotatie van mr. R.S. Bekker (EUR 99,- om te lezen): https://www.futd.nl/document/futd/Futd20191554/


Op 7-10-2014 ontving ik de Conclusie van A-G R.E.C.M. Niessen d.d. 30 september 2019 in mijn cassatie. De begeleidende brief is d.d. 1-10-2014, waarbij ik dus binnen 2 weken kon reageren. Ik denk dat ik tot 15-10-2019 de tijd had, maar heb het zekere voor het onzekere genomen en mijn Reactie op 14-10-2019 aan de Hoge Raad gefaxed.
De A-G ontkent dat mijn Repliek van 4-7-2019 ontvangen is. Ik heb vervolgens de Hoge Raad in gebreke gesteld voor het niet tijdig de ontvangst daarvan bevestigen, die vervolgens de ontvangst daarvan “bij hoge uitzondering” bevestigd heeft met de opmerking dat het niet “gebruikelijk” is dat de ontvangst van stukken bevestigd wordt.


Je kunt uit de gepubliceerde uitspraak van het Hof, de Conclusie A-G en een annotatie (die ik niet heb gelezen) onmogelijk opmaken hoe misdadig de handelswijze van de rechters is. Het Hof heeft:
1) Meerdere van mijn stellingen genegeerd (onbesproken gelaten);
2) Meerdere stellingen besproken, die ik niet ingebracht heb in hoger beroep (incl. een oordeel in een compleet ander zaaknr.);
3) Een verweer voor de Inspecteur gebruikt, dat niet is ingediend in de zaak waarin ik hoger beroep ingesteld heb.
Veel misdadiger kan rechtspraak niet zijn, waar rechters blijkbaar de Belastingdienst op alle mogelijke manieren helpen tegen een slachtoffer van het dictatoriale regime van het Koninkrijk der Nederlanden.


In mijn reactie op de Conclusie A-G heb ik dit “de rechter als procespartij” genoemd, ik neem hier een deel van mijn argumentatie uit mijn reactie van 14-10-2019 integraal over:
Quote:
A-G Niessen overweegt in 3.14 ten onrechte, dat Middel 2 onaantastbaar is, omdat dit niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk is. De A-G stelt in 3.12 dat Firestarter in Middel 2 gesteld heeft dat het verweer in eerste aanleg te laat is ingediend. Dit laatste getuigt van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van Firestarter; ondergetekende heeft bovendien gesteld dat in het geheel GEEN “inhoudelijk verweer” gevoerd is in zaaknummer 17/xx50 (zie subonderdelen 4-b en 4-c, randnummers 55, 61, 62 en 65 van het cassatieberoep).
De A-G erkent betreffende Middel 1 dat GEEN hoger beroep ingesteld is in zaaknummer 17/xx87, om in 3.10 te constateren dat dit geen verdere consequenties heeft, omdat belanghebbende daarbij geen belang heeft. Firestarter heeft wel degelijk belang bij een kostenveroordeling, na vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en een enigszins subsidiair belang, nu het Hof het verweer in zaaknummer 17/xx87 TEN ONRECHTE heeft aangemerkt als verweer in zaaknummer 17/xx50.

De A-G negeert dat de rechters in de feitelijke instanties rekening hebben gehouden met een verweer dat niet gevoerd is. Dit is des te krommer nu het Hof niet geoordeeld heeft over meerdere zijdens Firestarter ingebrachte stellingen en de jurisprudentie, dat het reguliere salaris dat zijn werkgever naar willekeur niet tijdig betaalde, gewoon had moeten betalen – en genoten - op de reguliere tijdstippen.
Het Hof heeft onder anderen de volgende stellingen genegeerd:
I) dat de arbeidsovereenkomst van november 1997, de CAO en de gegevens van het UWV aantonen dat het salaris gewoon genoten is op het moment dat de werkgever had moeten betalen;
II) dat het onredelijk is dat Firestarter extra belasting moet betalen, doordat zijn werkgever niet gewoon tijdig betaalt net als bij de andere werknemers, waarbij relevant is dat de overheid gedurende een belangrijk deel van deze periode, in handen was van de overheid;
III) dat als de jurisprudentie van BNB 1977/167 analoog toegepast wordt, het achterstallig salaris in de aanhangige kwestie uiterlijk ten tijde van de arresten van het Hof van 12 oktober 2010 dan wel van de Hoge Raad van 22 juni 2012 genoten zijn. Het valt niet in te zien waarom de werkgever niet (in ieder geval deels) zou hebben betaald indien dit (nogmaals) verzocht was, na deze arresten;
IV) het Hof heeft niet alleen onbesproken gelaten dat de Inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door de aanslag pas d.d. 29 september 2016 vast te stellen, na de aangifte van 19 oktober 2015, maar zelfs de datum van de aangifte en de aanslag onvermeld gelaten;
V) A-G Niessen erkent in 3.22 dat het onredelijk is, dat Firestarter gestraft wordt voor de handelswijze van diens werkgever, om zonder redelijke onderbouwing te concluderen, dat dit toegestaan is, terwijl dit luce clarius in strijd is met de REDELIJKHEID EN BILLIJKHEID (artt. 6:2, 6:248 BW), het evenredigheidsprincipe en het verbod op DISCRIMINATIE (art. 14 EVRM).

Het Hof heeft daarentegen een verweer namens de Inspecteur verzonnen, dat niet ingediend is in zaaknr. 17/xx50 en rechtsvragen beoordeeld die niet door Firestarter in Hoger Beroep gesteld zijn:
1) dat de duur van de procedure vanaf het bezwaar tot de uitspraak van Rechtbank (en Hof) niet onredelijk lang heeft geduurd;
2) dat de aanslag niet in strijd is met het verbod op discriminatie, omdat belanghebbende niet gelijk is aan een staatshoofd dat door erfopvolging bepaald is.
Dat het Hof meerdere stellingen van Firestarter genegeerd heeft, maakt reeds dat de uitspraak onvoldoende GEMOTIVEERD is. Dat het Hof ook nog eens andere rechtsvragen heeft besproken die niet in hoger beroep gesteld zijn en een verweer voor de Inspecteur uit de duim gezogen heeft, maakt dat het Hof een ander Hoger Beroep heeft beoordeeld en schijnbaar is vergeten dat het niet als PROCESPARTIJ kan deelnemen aan een rechtszaak; iets dat een flagrante schending is van de grondbeginselen van een EERLIJK PROCES (art. 6 EVRM).

#66:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 29 okt 2019 17:31
    —
Firestarter schreef:
Op 30-9-2019 stelde ik beroep in tegen het Besluit d.d. 21-8-2019.

Nadat ik mijn beroepschrift tegen de belastingaanslag van 2016 op 30-9-2019 per aangetekende brief verstuurde, heeft de rechtbank in Haarlem “vergeten” om de ontvangst te bevestigen.
De bestuursrechter heeft de plicht om binnen één week de ontvangst te bevestigen (art. 2.1 lid 1 van de Procesregeling bestuursrecht 2017).

Het is niet de eerste keer dat dit gebeurde; blijkbaar nemen corrupte Nederlandse rechters het niet zo nauw met de wet


Het is ook niet de eerste keer dat een postkantoor weigerde mijn envelop aangetekend te versturen.
Toen ik op 28-10-2019 bij het postkantoor aan de Marathonweg (Amsterdam) kwam om mijn ingebrekestelling aan de rechtbank te versturen kreeg ik het bizarre verhaal, dat dit niet mogelijk is, omdat er een “landelijke storing” is, maar dit wel alweer mogelijk is bij het dichtstbijzijnde postkantoor.

Ik vond dit bijzonder genoeg om tegen de medewerkster in het volgende postkantoor te vertellen, die bevestigde dat er helemaal geen “landelijke storing” is, want anders niet mijn aangetekende brief te kunnen versturen!

#67:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: za 14 dec 2019 19:55
    —
Ik kreeg gister een brief met aankondiging dat de Hoge Raad op 20-12-2019 uitspraak doet in de cassatie v.w.b. het volledig in 2014 belasten van mijn achterstallig loon van 2004-2014.
Ik weet wel hoe erg het is met de belangenverstrengeling in het Koninkrijk der Nederlanden, maar schrok desondanks van de rechters (raadsheren genoemd).

P.A.G.M. Cools – van 2000 t/m 2009 hoofdinspecteur bij de Belastingdienst! Vanaf 1-1-2000 werkzaam voor mijn “vrienden” van Kluwer Uitgevers.
Het enkele feit dat deze rechter voor de Belastingdienst gewerkt heeft KAN blijkbaar geen reden zijn voor wraking. Deze Raadsheer is namelijk juist benoemd om te oordelen in belastingzaken (derde kamer van de Hoge Raad)


A.F.M.Q. Beukers-van Dooren – van 2000 t/m 2002 belastingadviseur bij het kantoor De Brauw Blackstone Westbroek (dat in een eerdere procedure tegen ABN-AMRO bij de HR namens mij tegen mij pleitte). Vanaf 1-1-2000 werkzaam voor mijn “vrienden” van Kluwer Uitgevers (zelfde startdatum als Cools).

G. de Groot en M.A. Fierstra werken voor Boom Juridische Uitgevers (respectievelijk vanaf 1-8-2009 en 01-01-1995).

Over de vijfde rechter – J. Wortel - niets interessants gevonden.


Ik heb nog steeds geen enkele jurisprudentie gezien dat achterstallig salaris dat een werkgever (voor een groot deel van deze periode in handen van de staat) pas jaren later betaald op het betaalmoment belast wordt (i.p.v. het “genietingsmoment”). Ik heb WEL jurisprudentie gevonden dat het genietingsmoment bepaald wanneer loon genoten is (i.p.v. het tijdstip van uitbetalen).
Dit maakt dat de uitspraken van Rechtbank en Hof o.a. in strijd zijn met de Nederlandse wet en het verbod op discriminatie (art. 14 en protocol 12 van het EVRM).

In een mogelijke zaak bij het EHRM, vind ik interessanter dan het belastingtechnische aspect incl. de mogelijke jurisprudentie (kan deze voor belastingontduiking gebruikt worden?), de schendingen van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM). Ik denk hierbij aan:
- Het niet beoordelen van meerdere van mijn rechtsgronden en het wel beoordelen van grieven die ik niet in hoger beroep heb ingebracht.
- Dat de Rechtbank en het Hof, in hun oneindige “onafhankelijkheid”, een verweer voor de Belastingdienst hebben verzonnen. De Belastingdienst had alleen gesteld dat mijn beroep gegrond is en terugverwezen moet worden, om akkoord te gaan met inhoudelijke beoordeling (zoals ik gevraagd had).

#68:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: zo 29 dec 2019 17:55
    —
Zijn ze krankzinnig?!?
Daar lijkt het wel op!

Inmiddels heeft de Postnl een rare wijziging in het beleid van aangetekende poststukken doorgevoerd. Ik krijg nu een afhaalbericht, waarin niet staat waar of wanneer ik deze kan afhalen, maar dat ik op internet moet zoeken waar en wanneer ik dat kan doen.
Ik denk dat de gehersenspoelde Nederlandse kudde niet eens doorheeft hoe belachelijk het is dat je op internet moet zoeken om een brief (of pakket) af te kunnen halen op het postkantoor.


Firestarter schreef:
Ik kreeg gister een brief met aankondiging dat de Hoge Raad op 20-12-2019 uitspraak doet in de cassatie v.w.b. het volledig in 2014 belasten van mijn achterstallig loon van 2004-2014.

Op 21-12-2019, kreeg ik een eerste bericht van de Postnl, waarvan ik dacht dat dit wel eens het arrest van de Hoge Raad zou kunnen zijn. Toen ik op internet keek, stond daar dat er een nieuwe poging gedaan zou worden om te bezorgen.

Op 23-12-2019, denk ik, kreeg ik een tweede bericht van de Postnl. Toen ik op internet keek, enkele malen geprobeerd, staat daar dat “We kunnen helaas geen zending vinden”. Om een of andere reden “wil” de Nederlandse overheid niet dat ik dit arrest krijg?!?
Zie de schermprint van eerder vandaag.



Het is niet de eerste keer dat ik een uitspraak van de rechter niet opgestuurd krijg: https://rechtenforum.nl/forum/thread/p/228037/#228037

Moet ik nu (opnieuw) een z.n. ingebrekestelling of verzoek sturen naar de HR en zo ja vanaf wanneer om het arrest te krijgen?!?

#69:  Auteur: bona fides BerichtGeplaatst: ma 30 dec 2019 0:57
    —
Hoe dan ook: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2005. Het casssatieberoep is verworpen.

#70:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: ma 30 dec 2019 17:31
    —
Het volgende commentaar, “Hoge Raad legt 'rentedragend worden' eng uit”, is het enige op internet dat enige inhoudelijke reactie geeft op het arrest van de HR (voor zover ik heb gevonden).
Helaas alleen een korte bespreking van de “derde” genoemde zaak – dus niet de mijne.

Quote:
Maar de Hoge Raad volgt het standpunt van de werknemers niet. Voor het bepalen van het fiscale genietingsmoment ziet de term ‘rentedragend geworden’ niet op de situatie waarin rente wordt verschuldigd vanwege een vertraging in het betalen van een geldsom. Een vordering wordt pas rentedragend wanneer deze liquide is en blijft uitstaan, waarbij de schuldeiser rente geniet over zijn vordering. In de desbetreffende gevallen is het nagekomen loon gewoon belast in het jaar van ontvangst.
https://www.taxence.nl/nieuws/hoge-raad-legt-rentedragend-worden-eng-uit/


Firestarter schreef:
De A-G ontkent dat mijn Repliek van 4-7-2019 ontvangen is.

Zie uit de Conclusie van de A-G, gepubliceerd op 18-10-2019:
Quote:
1.6. Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Hierop is niet gerepliceerd.



Firestarter schreef:
Het Hof heeft:
1) Meerdere van mijn stellingen genegeerd (onbesproken gelaten);
2) Meerdere stellingen besproken, die ik niet ingebracht heb in hoger beroep (incl. een oordeel in een compleet ander zaaknr.);
3) Een verweer voor de Inspecteur gebruikt, dat niet is ingediend in de zaak waarin ik hoger beroep ingesteld heb.

Zie uit de Conclusie van de A-G, waarin deze dat zowaar erkent, maar stelt dat dit geen verdere gevolgen heeft:
Quote:
3.3. Belanghebbende heeft in zoverre gelijk dat het Hof de uitspraak van de Rechtbank in de zaak nr. 17/2687 in weerwil van art. 8:69, lid 1, Awb vernietigde op een grond waarvoor het beroepschrift geen grondslag bood.
(
)
3.10. Uit het voorgaande volgt dat de Rechtbank belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaarde in zijn beroep in cassatie tegen de hier bedoelde uitspraak. Maar om de redenen genoemd in onderdeel 3.8 heeft belanghebbende ook geen belang bij zijn eerste middel, dat het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof onder nr. 19/00089 behelst, zodat ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen die uitspraak. Derhalve kan de Hoge Raad geen uitspraak doen over de merites van de uitspraak van het hof.
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2019:974

#71:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 03 jan 2020 19:13
    —
Firestarter schreef:
Op 23-12-2019, denk ik, kreeg ik een tweede bericht van de Postnl. Toen ik op internet keek, enkele malen geprobeerd, staat daar dat “We kunnen helaas geen zending vinden”. Om een of andere reden “wil” de Nederlandse overheid niet dat ik dit arrest krijg?!?

Op 30-12-2019 ben ik toch maar op goed geluk naar het postkantoor gegaan, waar ik zowaar een envelop met een kopie (dus geen grosse) van het arrest van 20-12-2019 kon afhalen.


Firestarter schreef:
Op 4-4-2019 heb ik hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem in mijn beroep over mijn belastingaanslag van 2015.

De zitting in mijn Hoger Beroep over de Belastingaanslag voor 2015 is bepaald voor 4-2-2019.


Firestarter schreef:
Op 30-9-2019 stelde ik beroep in tegen het Besluit d.d. 21-8-2019.

Op 13-12-2019, heeft de Belastingdienst een verweer ingediend, in mijn Beroep over de Belastingaanslag voor 2016.
Hierin wordt verwezen naar HR, 14 november 2008, nr. 42.096, BNB 2009/5: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2008:BG4235

Deze jurisprudentie onderbouwt dat een conservatoir beslag niet betekent dat het geblokkeerde vermogen niet belast wordt.


En op 31-12-2019 heb ik (opnieuw) belastingaangifte gedaan voor het jaar 2014, voor het deel van mijn achterstallig salaris dat betrekking heeft op 2014, maar de ABN Amro naar eigen goeddunken pas in 2019 betaalde: https://rechtenforum.nl/forum/thread/p/232458/#232458

#72:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: di 03 mrt 2020 18:24
    —
Firestarter schreef:
Firestarter schreef:
Op 4-4-2019 heb ik hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem in mijn beroep over mijn belastingaanslag van 2015.

De zitting in mijn Hoger Beroep over de Belastingaanslag voor 2015 is bepaald voor 4-2-2019.
Op 24-2-2020 stuurde het Hof de uitspraak van 18-2-2020, waarin het mijn Hoger Beroep tegen de aanslag van 2015 afwijst.

Om te onderbouwen dat het redelijk is dat mijn ontslagvergoeding in 2015 geen betrekking heeft op een “huidige” dienstbetrekking, verwijst het Hof naar ECLI:NL:HR:2014:165: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:165

Waarin - niet genummerd - Rov. 3.5.2 wordt geciteerd.
Quote:
Voor het onderscheid tussen inkomsten uit tegenwoordige arbeid en inkomsten uit vroegere arbeid komt het erop aan of de genoten inkomsten ten nauwste verband houden met bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor die inkomsten een rechtstreekse beloning vormen, dan wel of die inkomsten niet een onmiddellijke tegenprestatie voor die arbeid vormen doch slechts meer algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid. De omstandigheid dat de dienstbetrekking waaruit de inkomsten worden genoten ten tijde van het genieten ervan nog bestond, is daarbij niet doorslaggevend (vgl. HR 26 juni 1968, nr. 15929, BNB 1968/169).


Dat lijkt in eerste instantie overtuigend, behalve als je doorleest naar Rov. 3.5.3, waarin verwezen wordt naar de onderbouwing van Rov. 3.3.1 dat in die situatie geen sprake was van “tegenwoordige arbeid”.
Quote:
Het Hof heeft geoordeeld dat aan belanghebbende bij de vaststelling van de aan hem opgelegde aanslag ten onrechte de arbeidskorting is toegekend. Het heeft daartoe overwogen dat, aangezien belanghebbende gedurende het gehele jaar was vrijgesteld van het verrichten van arbeid, niet kan worden gesproken van “met tegenwoordige arbeid” genoten inkomsten. Dat gedurende de zoekperiode voor boventallige werknemers - kort gezegd – reïntegratieverplichtingen gelden, waarmee het Hof kennelijk het oog heeft gehad op inspanningen teneinde nieuw werk te vinden, maakt naar zijn oordeel nog niet dat de vervulling van deze verplichtingen aangemerkt kan worden als tegenwoordige arbeid. Ook betekent de beschikbaarheid van belanghebbende tot het verrichten van arbeid voor de werkgever nog niet dat daarvan ook daadwerkelijk sprake is, aldus nog steeds het Hof.

In Rov 3.1.2 wordt daar nog aan toegevoegd.
Quote:
Sedert 31 oktober 2005 was belanghebbende door de werkgever vrijgesteld van het verrichten van arbeid. Per 1 december 2005 is belanghebbende door de werkgever aangewezen als boventallig.


Hieruit blijkt dat die situatie op geen enkele manier vergelijkbaar is met mijn situatie, waarin de ABN Amro opzettelijk weigerde om mijn achterstallig salaris te voldoen, zelfs na de executoriale titel van 16-9-2014, om vervolgens dan wel te eisen dat ik mijn werk hervatte


Om uiteindelijk een verzoek te doen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Waarbij de ontbinding werd toegekend door rechter E.F.A. van Buitenen die had samengewerkt met advocaten van BarentsKrans, die ABN Amro in mijn “Rechtszaak zonder einde” vertegenwoordigde en bovendien redactielid was van een werkgroep waarin ene R. Hansma een lid was – langdurig hoofd van de juridische afdeling Labour Affairs. Dit is in het Koninkrijk der Nederlanden vanzelfsprekend geen valide reden voor wraking....
Labour Affairs is de afdeling, die mij in maart 2004 op staande voet ontsloeg, als onderdeel van de geplande outsourcing van mijn afdeling naar TCS in India.

#73:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: za 02 mei 2020 17:03
    —
Firestarter schreef:
Op 13-9-2019 heeft ABN Amro namelijk EUR 83.664 netto overgemaakt aan wettelijke rente, met de belofte nog 111.107 bruto over te maken binnen 2 weken!
https://rechtenforum.nl/forum/thread/title/Klacht+tegen+advocaat+in+de+doofpot/t/41161/start/60/

Op 30-4-2020 deed ik aangifte voor 2019; waarbij ik invulde dat ik geen inkomsten had.
Uit de vooraf ingevulde gegevens maak ik op dat de Belastingdienst mijn achterstallig salaris dat ABN Amro pas in 2019 betaalde, maar betrekking had op “regulier” loon over de jaren 2004-2014, wil belasten als inkomsten uit een voorgaande dienstbetrekking (als pensioen).
De eerdere uitspraak van de HR bepaalt dat dit “genoten” is ten tijde van het finaal arrest in mijn “rechtszaak zonder einde” tegen ABN Amro van september 2014.



Firestarter schreef:
Firestarter schreef:
Op 30-9-2019 stelde ik beroep in tegen het Besluit d.d. 21-8-2019.

Op 13-12-2019, heeft de Belastingdienst een verweer ingediend, in mijn Beroep over de Belastingaanslag voor 2016.
Hierin wordt verwezen naar HR, 14 november 2008, nr. 42.096, BNB 2009/5: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2008:BG4235

Deze jurisprudentie onderbouwt dat een conservatoir beslag niet betekent dat het geblokkeerde vermogen niet belast wordt.

Op 1-5-2020 ontving ik de uitspraak d.d. 15-4-2020, die verzonden was op 24-4-2020, waarin mijn beroep tegen de belastingaanslag van 2016 is afgewezen.

#74:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 06 mei 2020 18:32
    —
Firestarter schreef:
Firestarter schreef:
Firestarter schreef:
Op 4-4-2019 heb ik hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem in mijn beroep over mijn belastingaanslag van 2015.

De zitting in mijn Hoger Beroep over de Belastingaanslag voor 2015 is bepaald voor 4-2-2019.
Op 24-2-2020 stuurde het Hof de uitspraak van 18-2-2020, waarin het mijn Hoger Beroep tegen de aanslag van 2015 afwijst.

Nadat ik op 1-4-2020 mijn cassatieberoep tegen de uitspraak van het Hof van 18-2-2020 verstuurde, heeft de Hoge Raad “vergeten” om de ontvangst te bevestigen.
Volgens art. 2.1 lid 1 van de Procesregeling bestuursrecht 2017 moet de ontvangst van een beroep binnen 1 week bevestigd worden.

Op 4-5-2020 heb ik de Hoge Raad in gebreke gesteld.

#75:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: za 23 mei 2020 19:23
    —
Firestarter schreef:
Nadat ik op 1-4-2020 mijn cassatieberoep tegen de uitspraak van het Hof van 18-2-2020 verstuurde, heeft de Hoge Raad “vergeten” om de ontvangst te bevestigen.
Volgens art. 2.1 lid 1 van de Procesregeling bestuursrecht 2017 moet de ontvangst van een beroep binnen 1 week bevestigd worden.

Op 4-5-2020 heb ik de Hoge Raad in gebreke gesteld.

In vind het vreselijk, dat ik zo ontzettend voorspelbaar ben, toen ik op 19-5-2020 nog steeds geen enkele reactie had ontvangen na mijn cassatieberoep en ingebrekestelling. Ik startte dus een onderzoekje naar de president van de Hoge Raad Maarten Feteris, met het plannetje een wrakingsverzoek te doen.
Google.nl heeft wat problemen om de sites te vinden, waarop de goed verdienende bijbaantjes van advocaten en rechters in ons platte Nederland vermeld staan


Plotseling op 20 mei kreeg ik ineens een ontvangstbevestiging van mijn cassatieberoep van 1-4-2020.
Gevolgd door op 22 mei het betalingsverzoek voor de griffierechten (geantidateerd op 19 mei).


Feteris was van 1986 tot 2008 belastingadviseur en partner bij PricewaterhouseCoopers, waarvoor hij in 1994 toetrad tot de rechterlijke macht.
In september 2008 werd hij lid van de belastingkamer van de Hoge Raad der Nederlanden. In april 2013 werd hij gepromoveerd tot vicepresident en op 1-11-2014 zelfs tot president van de Hoge Raad.

Maarten Feteris is sinds 2011 een Staatsraad onder voorzitterschap van Beatrix en haar zoon Willem-Alexander.
Feteris is ook (niet erg verassend) sinds 1994 werkzaam door Kluwer uitgevers.

Wellicht de meest interessante bijbaan van Maarten Feteris (PricewaterhouseCoopers was meer zijn hoofdbaan tot 2008), is dat hij Lid Raad van Advies van de Carnegie Stichting is sinds 2014 (“toevallig” op hetzelfde moment hij president van de Hoge Raad werd): http://ors.openstate.eu/relations/instantie/Hoge+Raad/dhr.+prof.dr.mr.+M.W.C.+Feteris+


De Carnegie Stichting is eigenaar van het Vredespaleis in Den Haag, waar het Internationaal Gerechtshof gevestigd is.
Niemand anders dan voormalig Vicepresident van de Raad van State, Minister van Staat Piet Hein Donner is bestuursvoorzitter gemaakt van de Carnegie Stichting door Koning Willem-Alexander: https://www.mr-online.nl/piet-hein-donner-bestuursvoorzitter-vredespaleis/


Er zijn trouwens juridisch interessante wrakingsverzoeken en zelfs aangifte gedaan bij de politie tegen de Hoge Raad, o.a. omdat ze “reservisten” misbruiken bij het wijzen van arresten: http://archive.is/vJYVV

#76:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: wo 22 jan 2025 11:02
    —
In ons platte koninkrijk hoeft de belastingdienst niet eens de eigen misdadigheid te verbergen, met dank aan het corrupte juridische systeem en de gecensureerde media.

Nadat ik een advocaat had gevonden die voor duizenden Euros enkele mails naar de advocaten van ABN Amro stuurde, maar verder geen intentie had om voor mijn belangen op te komen:
Firestarter schreef:
Op 13-9-2019 heeft ABN Amro namelijk EUR 83.664 netto overgemaakt aan wettelijke rente, met de belofte nog 111.107 bruto over te maken binnen 2 weken!
https://rechtenforum.nl/forum/thread/t/41161/postdays/0/postorder/asc/?start=60

Deze EUR 111.107 was, in overeenstemming met het arrest van september 2014, een bedrag van EUR 54.489, aan achterstallig salaris en EUR 51.168 aan wettelijke rente, waarover de belastingdienst EUR 57.498 aan loonheffing heeft ingehouden in belastingjaar 2019.
De wettelijke rente zou belastingvrij moeten zijn, en over dit salaris - dat “genoten” was in 2014 en al verjaard in 2019 – heeft de belastingdienst (in collaboratie met de staatsbank ABN Amro) een hoger bedrag aan belasting geheven dan het daadwerkelijke loon!

Nadat ik op 30-4-2020 belastingaangifte voor het jaar 2019 deed, ontving ik (eindelijk) de aanslag op 17-11-2022, waarin de aanslag is vastgesteld op 0 (nihil), terwijl de belastingdienst geen intentie had de onterecht ingehouden loonheffing voor 2019 terug te betalen.


Op 23-11-2022 maakte ik bezwaar tegen de aanslag.
Nadat op 16-2-2023 de belastingdienst de beslistermijn voor het beoordelen van het bezwaar verlengde naar 12 weken, stelde ik op 3-4-2023 de belastingdienst in gebreke voor het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
Op 20-4-2023 ontving ik een brief van de belastingdienst dat het “een besluit” op het bezwaar had genomen op 12-4-2023 (blijkbaar zonder intentie dit mij ook toe te zenden).
Op 25-4-2023 ontving ik nog een brief dat de belastingdienst mij over de eerder ingehouden belasting EUR 9.608 terugbetaalt, waarmee EUR 47.890 aan loonheffing is ingehouden over een loon van EUR 54.489, met de weigering om hierover wettelijke rente te betalen.


Op 22-5-2023 stelde ik beroep in, waarbij ik zowel stelde dat geen tijdig besluit was genomen, en beroep instelde tegen de te veel ingehouden belasting.
Op 15-8-2023 diende de belastingdienst een verweerschrift in.
Op 16-1-2024 oordeelde de rechtbank mijn beroep gegrond is omdat de belastingdienst de hoorplicht geschonden had, maar verwierp het beroep voor het niet tijdig nemen van een besluit en de van mij gestolen belasting.


Ik heb werkelijk geen idee wat de volgende kromspraak voor juridische betekenis heeft, maar de rechtbank stelt dat de belastingdienst geen plicht heeft om de gestolen belasting terug te betalen, “omdat”:
Quote:
Eiser heeft geen belang bij vernietiging van die beslissing: dat pakt voor hem nadelig uit omdat die teruggaaf dan ongedaan moet worden gemaakt. Nu eiser geen belang heeft bij beoordeling van zijn standpunt dat de slotbetaling in 2014 als loon in aanmerking moet worden genomen, zal het beroep in zoverre ongegrond worden verklaard.

.

De rechtbank stelt dat de belastingdienst geen plicht heeft om wettelijke rente te vergoeden omdat ze blijkbaar zeer netjes diefstal pleegt en omdat “de zogenoemde redelijke termijn niet is overschreden”.


Verder oordeelde de rechtbank dat het niet toezenden van het besluit niet betekent dat de belastingdienst niet tijdig een beslissing nam op mijn bezwaar (in tegenspraak met RvS 21-9-2022, ECLI:NL:RVS:2022:2729), omdat:
Quote:
Een late ontvangst van de uitspraak verandert evenwel niets aan de omstandigheid dat de uitspraak wel is gegeven. Het verzenden van een besluit is niet maatgevend voor het antwoord op de vraag of een besluit is genomen.

.

Op 25-11-2024 stelde ik hoger beroep in.
Op 14-1-2025 ontving ik eindelijk de ontvangstbevestiging van mijn hoger beroep (ik heb nog steeds geen nota voor de griffierechten ontvangen).

#77:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: vr 23 mei 2025 21:32
    —
Firestarter schreef:
Op 25-11-2024 stelde ik hoger beroep in.
Op 14-1-2025 ontving ik eindelijk de ontvangstbevestiging van mijn hoger beroep (ik heb nog steeds geen nota voor de griffierechten ontvangen).

Op 15-2-2025 ontving ik i.p.v. een nota een Betalingsherinnering (met de bewering dat er één eerder aangetekend was verstuurd), die ik spoedig betaald heb.

Vervolgens duurde het tot 1-5-2025 voordat ik een verslag van de zitting van september 2024 ontving (waarbij ik niet aanwezig was). Ik was wel benieuwd naar hoe het overleg tussen rechter J. Snitker en belastingdienst om mij te bestelen beschreven werd.
Snitker is een “spreker” voor de Academie voor de Rechtspraktijk (het opleidingsinstituut van de Orde van advocaten).
https://www.avdr.nl/legalflix/sprekers/mr-j-snitker/

De Academie voor de Rechtspraktijk geeft ook als sprekers (denk ik?) weer:
Max Keulaerds, dat is een advocaat van ABN Amro die ABN Amro bijstond in de jarenlange rechtszaak tegen mij, en die dus mijn deurwaarder opdracht gaf de executie van het bij voorraad uitvoerbare arrest van 16-9-2014 te staken.

Stefan Sagel en Rogier Duk, advocaten die “namens mij” tegen mij pleitten in mijn rechtszaak tegen ABN Amro bij de Hoge Raad, tevens in een publicatie van Kluwer, waarin ze tevens mijn naam vermeldden. Ook interessant is dat tijdens de procedure bij de Hoge Raad, Duk overstapte naar BarentsKrans, dat dus ABN Amro vertegenwoordigde.
Christiaan Oberman, een andere advocaat die “namens mij” tegen mij pleitte, en Sagel en Duk inhuurde om bij de Hoge Raad tegen mij te pleiten.


Dit is uit het proces verbaal van de zitting:
Quote:
Snitker: stel je voor, als eiser gelijk zou hebben, wat zouden daar dan de gevolgen van zijn? Dan zouden we niet de uitspraak op bezwaar kunnen vernietigen, want die voorziet in een teruggaaf.
Belastingdienst: wij zijn niet nagegaan wat het gevolg is als het alsnog in 2014 in de heffing zou worden betrokken. Wij zijn buiten de navorderingstermijn. Dus dat kan niet. Maar dan zou het uit 2019 gehaald moeten worden. En dan wordt de teruggaaf eruit gehaald en dat kan ook niet.

Snitker: er is loonheffing ingehouden op de betaling. Dus als het genietingsmoment in 2014 zou zijn, dan zou het ook dan verrekend moeten worden, want dat hoort bij elkaar. Dus je zou kunnen zeggend dat eiser er niet beter van kan worden, dus dan beroep ongegrond?
Belastingdienst: ja maar, eiser zegt: dat hij geen belasting verschuldigd is maar wel de loonheffing zou moeten terugkrijgen. Dat zou een grotere teruggaaf zijn. Dus dan gaat hij er wel op vooruit.
Rechter: maar dat is lastig omdat de verrekening in 2014 als hij gelijk krijgt, dus dat kennen we dan niet toe aan 2019. Daar bent u het vast mee eens?

.
.
Firestarter schreef:
Ik heb werkelijk geen idee wat de volgende kromspraak voor juridische betekenis heeft, maar de rechtbank stelt dat de belastingdienst geen plicht heeft om de gestolen belasting terug te betalen, “omdat”:
Quote:
Eiser heeft geen belang bij vernietiging van die beslissing: dat pakt voor hem nadelig uit omdat die teruggaaf dan ongedaan moet worden gemaakt. Nu eiser geen belang heeft bij beoordeling van zijn standpunt dat de slotbetaling in 2014 als loon in aanmerking moet worden genomen, zal het beroep in zoverre ongegrond worden verklaard.

Op 20-5-2025 ontving ik dan eindelijk het verweer van de belastingdienst. Het is een beetje vreemd dat de rechter oordeelde dat ik “geen belang” zou hebben dat mijn achterstallig loon dat in 2019 betaald werd in 2014 belast wordt, dat immers verjaard is, maar de belastingdienst onderbouwt nu deze uitspraak door te stellen dat het in 2019 genoten is, omdat het toen betaald werd, waarbij het blijkbaar niet relevant is dat deze betaling “vorderbaar en inbaar” is conform een bij voorraad uitvoerbaar arrest van september 2014.


De Belastingdienst stelt in het verweer dat het niet “inbaar” was in 2014, omdat:
Quote:
In dit geval was van inbaarheid voor 2019 geen sprake. Ik verwijs daartoe naar de correspondentie van de advocaat van belanghebbende en de advocaat van de voormalige werkgever die door belanghebbende als bijlagen 12 en 13 bij het beroepschrift in hoger beroep zijn overgelegd, alsmede de als bijlage 4 bij het beroepschrift in eerste aanleg overgelegde mail. Uit deze correspondentie blijkt duidelijk dat de voormalige werkgever niet onverwijld tot betaling is overgegaan na daartoe door belanghebbende te zijn verzocht.

Deze opvatting laat zich vertalen dat omdat de Orde van advocaten en de Kamer voor gerechtsdeurwaarders mij een “daadwerkelijk rechtsmiddel” ontnemen, mijn werkgever kan weigeren te voldoen aan een arrest, mijn deurwaarder kan opdragen de executie van het arrest te staken, en de belastingdienst naar complete willekeur belasting van mij kan stelen.
Dit bevestigt dus maar weer eens dat het Koninkrijk der Nederland een misdadige dictatuur is



De belastingdienst stelt in het verweer bovendien dat wettelijke rente over een te laat uitbetaald loonvordering wel degelijk belastbaar is. Over het ten onrechte heffen van loonbelasting over de wettelijke rente, stelt de belastingdienst het volgende:
Quote:
Belanghebbende stelt dat er meer loonheffing is ingehouden dan er aan loon is genoten. Kennelijk bedoeld belanghebbende hier loon als bedoeld in artikel 7:616 artikel 10, eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de wet LB) bepaalt dat loon al hetgeen is dat wordt genoten uit een dienstbetrekking.
Uit de aangehaalde wetsartikelen bij het arrest van uw Hof van 16 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4060) blijkt dat de nabetaling van het loon als bedoeld in artikel 7:616 van het BW is verhoogd op grond van het bepaalde in artikel 7:625 van het BW. Een dergelijke verhoging moet, volgens het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1978, nr. 18 592, BNB 1978/255, worden aangemerkt als loon als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de wet LB.

#78:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: zo 08 feb 2026 23:48
    —
Firestarter schreef:
Op 25-11-2024 stelde ik hoger beroep in.

Op 9-1-2026 ontving ik de uitspraak van het gerechtshof (d.d. 9-12-2026) per gewone post.
Zoals gebruikelijk (?) is deze niet per aangetekende post toegezonden. Het is overigens ook mogelijk dat een (andere) criminele ambtenaar een eventueel afhaalbericht voor een aangetekend poststuk heeft verduisterd

Op 22-1-2026 stelde ik cassatie in bij de hoge raad.


Blijkbaar vond het gerechtshof het niet nodig te onderbouwen waarom:
De belastingdienst belasting heeft ingehouden op de wettelijke rente over mijn loonvordering;
Geen dwangsom is verschuldigd ondanks dat de belastingdienst me na de ingebrekestelling geen besluit toezond, waarmee ik ook geen mogelijkheid heb gekregen om in beroep te gaan tegen dat besluit (dat ik immers pas ontving bij het verweerschrift in eerste aanleg);

Dat het geen enkele consequentie heeft dat de belastingdienst niet binnen een redelijke termijn de aanslag vastgesteld heeft, ruim 2 1/2 jaar na de aangifte, noch van het overschrijden van andere termijnen.
Het gerechtshof heeft ruim 5 jaar en 7 maanden na de aangifte, ruim 3 jaar na het bezwaar en ruim 2 1/2 jaar na het instellen van beroep pas uitspraak gedaan.
Door vervolgens ook geen vertragingsrente noch dwangsom toe te kennen, wordt de belastingdienst zo door de ‘onafhankelijke’ rechter beloond voor de onbehoorlijke handelswijze




Het gerechtshof onderbouwt dat de betaling n.a.v. het bij voorraad uitvoerbare arrest van 16-9-2014 in 2019 genoten is, “omdat” het in 2019 betaald is en een genietingsmoment in 2014 betekent dat het verjaard is, met:
Quote:
Voorts is het Hof van oordeel dat de slotbetaling niet vóór 2019, en dus ook niet in het door belanghebbende gestelde jaar 2014, inbaar is geworden. Inbaar is een vordering wanneer, zo de schuldeiser dat zou verzoeken, onverwijld betaling door of vanwege de schuldenaar zou plaatsvinden (zie HR: 16 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3320). Hiervan was vóór 2019 evenwel geen sprake. Zoals helder volgt uit de correspondentie tussen de advocaat van belanghebbende en de advocaat van de voormalige werkgever (zie 2.2 t/m 2.3), bestonden er tussen partijen na de voornoemde uitspraak van het Hof in 2014 nog de nodige punten van discussie alvorens de hoogte van de slotbetaling kon worden bepaald en aldus tot de uitbetaling daarvan kon worden overgegaan. Belanghebbendes verzoeken hebben daarom pas in 2019 tot betaling door zijn voormalig werkgever geleid. Nu vorderbaar en inbaar zogenoemde cumulatieve voorwaarden zijn in de zin van onderdeel e van artikel 3.146, lid 1, Wet IB 2001, strandt hiermee dit betoog.




Voor zover belanghebbende betoogt dat de slotbetaling vanaf de uitspraak van het Hof van 16 september 2014 rentedragend is geworden, faalt het. Met ‘rentedragend geworden’ in artikel 3.146, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 wordt niet gedoeld op de onderhavige situatie waarin wegens vertraging in de voldoening van geldsom wordt verschuldigd. Een vordering wordt pas rentedragend wanneer deze liquide is en blijft uitstaan onder het genot van rente voor de gerechtigde tot die vordering (die HR 20 december 2019, ECLI::NL:HR:2019: 2005, 2.3.2; het betreft het arrest in de zaak over de aan belanghebbende opgelegde aanslag voor het jaar 2014).

.


Verder heeft het gerechtshof mijn stellingen in hoger beroep voor het gemak maar min of meer genegeerd


#79:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 23 apr 2026 20:55
    —
Firestarter schreef:
Op 22-1-2026 stelde ik cassatie in bij de hoge raad.

Op 8-4-2026 stuurde de Hoge Raad mij een brief, die begon met:
Quote:
In het digitaal dossier treft u het verweerschrift aan naar aanleiding van het door u ingediende beroepschrift in cassatie aan.
Indien u op dit verweerschrift wenst te reageren, kunt u binnen vier weken na de hierboven vermelde datum een conclusie van repliek bij de Hoge Raad indienen.

.
Hiermee eist de Hoge Raad blijkbaar dat ik elektronisch/digitaal procedeer, waar ik niet toe verplicht ben (art. 8:36b, lid 1 AWB en art. 7 Besluit elektronisch procederen), terwijl de Hoge Raad weet dat ik niet digitaal procedeer, omdat ik bij aangetekende brief cassatie heb ingesteld.
Uit de brief van 8-4-2026 blijkt ook dat de Hoge Raad weet dat ik geen plicht heb digitaal te procederen, want niet vertegenwoordigd door een advocaat, terwijl de Hoge Raad mij elektronisch geĂŻnformeerd zou hebben, i.p.v. per brief, als ik digitaal zou procederen (art. 8:36g AWB).
Blijkbaar is ook dit verweerschrift niet binnen de wettelijke termijn van 4 weken ingediend (art. 8:42, lid 1)...

Op 22-4-2026 heb ik een wrakingsverzoek gedaan van de voorzitters van de Hoge Raad en de Belastingkamer, G. de Groot en M.E. van Hilten.
De Groot is ook lid van Willem-Alexander’s Raad van State.
Veel nut heeft dit waarschijnlijk niet, aangezien de door de koning benoemde rechters die over dit wrakingsverzoek zullen oordelen, al even corrupt zijn als de door de koning benoemde gewraakte rechters. Voor zover ik weet, is er echter geen (ander) daadwerkelijk rechtsmiddel tegen rechters die een procespartij onrechtmatig benadelen.

G. de Groot en M.E. van Hilten, alsmede andere rechters bij de Hoge Raad, zijn jarenlang in dienst geweest van Kluwer Uitgevers, die zo’n dominante rol speelt in het hersenspoelen van rechtenstudenten, en hofleverancier is van de door onze koning benoemde rechterlijke macht.
In 2011, nam ik 2 advocaten van De Brauw Blackstone Westbroek in dienst voor mijn cassatieprocedure bij de Hoge Raad tegen ABN Amro, die ook hoofdredacteur arbeidsrecht bij Kluwer waren. De Brauw Blackstone Westbroek heeft ook ABN Amro bijgestaan in diverse juridische kwesties, terwijl één van deze 2 advocaten – Rogier Duk - tijdens de cassatieprocedure overstapte naar BarentsKrans, dat ABN Amro bijstond in deze rechtszaak. Het is terugkijkend dus helemaal niet verrassend dat mijn cassatieadvocaten tegen mij pleitten.
Negen dagen nadat ik De Brauw Blackstone Westbroek inhuurde, verscheen er een artikel in de Kluwer arbeidsrecht publicatie dat het Hof ten onrechte in mijn voordeel beslist had, met vermelding van mijn naam, met referentie naar een arrest waarin beweerd wordt dat ik stapelgek ben, en daarom gedwongen moest behandeld worden door Nederlandse staatspsychiaters, die blijkbaar fan zijn van de martelpraktijken die ontwikkeld werden in MKULTRA.
https://rechtenforum.nl/forum/thread/t/41161/postdays/0/postorder/asc/?start=0

En helaas zijn de misdaden tegen de menselijkheid in ons platte koninkrijk niet beperkt tot een onrechtvaardige justitie, psychiatrische martelpraktijken of diefstal door de Belastingdienst. Sinds eind november 2025, zijn 3 laptops (waarvan dus 2 splinternieuwe) zomaar ineens kapot gegaan...
Dit maakt procederen enigszins lastig
 en kostbaar!

#80:  Auteur: Firestarter BerichtGeplaatst: do 23 apr 2026 22:21
    —
Firestarter schreef:
Op 22-1-2026 stelde ik cassatie in bij de hoge raad.

Op 8-4-2026 stuurde de Hoge Raad mij een brief, die begon met:
Quote:
In het digitaal dossier treft u het verweerschrift aan naar aanleiding van het door u ingediende beroepschrift in cassatie aan.
Indien u op dit verweerschrift wenst te reageren, kunt u binnen vier weken na de hierboven vermelde datum een conclusie van repliek bij de Hoge Raad indienen.

.
Hiermee eist de Hoge Raad blijkbaar dat ik elektronisch/digitaal procedeer, waar ik niet toe verplicht ben (art. 8:36b, lid 1 AWB en art. 7 Besluit elektronisch procederen), terwijl de Hoge Raad weet dat ik niet digitaal procedeer, omdat ik bij aangetekende brief cassatie heb ingesteld.
Uit de brief van 8-4-2026 blijkt ook dat de Hoge Raad weet dat ik geen plicht heb digitaal te procederen, want niet vertegenwoordigd door een advocaat, terwijl de Hoge Raad mij elektronisch geĂŻnformeerd zou hebben, i.p.v. per brief, als ik digitaal zou procederen (art. 8:36g AWB).
Blijkbaar is ook dit verweerschrift niet binnen de wettelijke termijn van 4 weken ingediend (art. 8:42, lid 1)...

Op 22-4-2026 heb ik een wrakingsverzoek gedaan van de voorzitters van de Hoge Raad en de Belastingkamer, G. de Groot en M.E. van Hilten.
De Groot is ook lid van Willem-Alexander’s Raad van State.
Veel nut heeft dit waarschijnlijk niet, aangezien de door de koning benoemde rechters die over dit wrakingsverzoek zullen oordelen, al even corrupt zijn als de door de koning benoemde gewraakte rechters. Voor zover ik weet, is er echter geen (ander) daadwerkelijk rechtsmiddel tegen rechters die een procespartij onrechtmatig benadelen.

G. de Groot en M.E. van Hilten, alsmede andere rechters bij de Hoge Raad, zijn jarenlang in dienst geweest van Kluwer Uitgevers, die zo’n dominante rol speelt in het hersenspoelen van rechtenstudenten, en hofleverancier is van de door onze koning benoemde rechterlijke macht.
In 2011, nam ik 2 advocaten van De Brauw Blackstone Westbroek in dienst voor mijn cassatieprocedure bij de Hoge Raad tegen ABN Amro, die ook hoofdredacteur arbeidsrecht bij Kluwer waren. De Brauw Blackstone Westbroek heeft ook ABN Amro bijgestaan in diverse juridische kwesties, terwijl één van deze 2 advocaten – Rogier Duk - tijdens de cassatieprocedure overstapte naar BarentsKrans, dat ABN Amro bijstond in deze rechtszaak. Het is terugkijkend dus helemaal niet verrassend dat mijn cassatieadvocaten tegen mij pleitten.
Negen dagen nadat ik De Brauw Blackstone Westbroek inhuurde, verscheen er een artikel in de Kluwer arbeidsrecht publicatie dat het Hof ten onrechte in mijn voordeel beslist had, met vermelding van mijn naam, met referentie naar een arrest waarin beweerd wordt dat ik stapelgek ben, en daarom gedwongen moest behandeld worden door Nederlandse staatspsychiaters, die blijkbaar fan zijn van de martelpraktijken die ontwikkeld werden in MKULTRA.
https://rechtenforum.nl/forum/thread/t/41161/postdays/0/postorder/asc/?start=0

En helaas zijn de misdaden tegen de menselijkheid in ons platte koninkrijk niet beperkt tot een onrechtvaardige justitie, psychiatrische martelpraktijken of diefstal door de Belastingdienst. Sinds eind november 2025, zijn 3 laptops (waarvan dus 2 splinternieuwe) zomaar ineens kapot gegaan...
Dit maakt procederen enigszins lastig
 en kostbaar!



Rechtenforum.nl -> Fiscaal recht

Tijden zijn in GMT + 2 uur

Pagina 1 van 1

© 2003 - 2005 Rechtenforum.nl