Gebruikersnaam:   Wachtwoord:   Gratis Registreren | Wachtwoord vergeten?
Rechtenforum.nl
Rechtenforum.nl Rechtenforum.nl
 
Controle paneel
Registreren Registreren
Agenda Agenda
Help Help
Zoeken Zoeken
Inloggen Inloggen

Rechtsbronnen
Rechtspraak
Kamervragen
Kamerstukken
AMvBs
Beleidsregels
Circulaires
Koninklijke Besluiten
Ministeriële Regelingen
Regelingen PBO/OLBB
Regelingen ZBO
Reglementen van Orde
Rijkskoninklijke Besl.
Rijkswetten
Verdragen
Wetten Overzicht

Wettenbundel
Awb - Algm. w. best...
AWR - Algm. w. inz...
BW Boek 1 - Burg...
BW Boek 2 - Burg...
BW Boek 3 - Burg...
BW Boek 4 - Burg...
BW Boek 5 - Burg...
BW Boek 6 - Burg...
BW Boek 7 - Burg...
BW Boek 7a - Burg...
BW Boek 8 - Burg...
FW - Faillissement...
Gemw - Gemeente...
GW - Grondwet
KW - Kieswet
PW - Provinciewet
WW - Werkloosheid...
Wbp - Wet bescherm...
IB - Wet inkomstbel...
WAO - Wet op de arb..
WWB - W. werk & bij...
RV - W. v. Burgerlijk...
Sr - W. v. Strafrecht
Sv - W. v. Strafvor...

Visie
Werkgevers toch ...
Waarderingsperik...
Het verschonings...
Indirect discrim...
Een recht op ide...
» Visie insturen

Rechtennieuws.nl
Kamermeerderheid...
Ordina erkent on...
Speciale rechter...
Controle op toeg...
Kinderen krijgen...
» Nieuws melden

Snellinks
EUR
OUNL
RuG
RUN
UL
UM
UU
UvA
UvT
VU
Meer links

Rechtenforum
Over Rechtenforum
Maak favoriet
Maak startpagina
Mail deze site
Link naar ons
Colofon
Meedoen
Feedback
Contact

Recente topics
Bestuursorgaan
verjaring vord...
Vraag over gar...
Fictief inkome...
Verdeling en/o...

Carrière
Boekel De Nerťe
CMS DSB

Content Syndication


 
»
Het verschoningsrecht en de 'affaire Meijering'
Geplaatst: wo 23 mei 2007 13:00
Auteur: Prof. mr. Floris Bannier
Visie  Attendeer mij op nieuwe reacties op deze visie  Maak favoriet  Printvriendelijk  E-mail vriend(in)  Download als PDF
zo 20 mei 2007 13:15 Indirect discrimination in EC law  wo 23 mei 2007 14:00 Waarderingsperikelen bij niet-commercieel vastgoed

Het verschoningsrecht is het recht van bepaalde beroepsbeoefenaren om als getuige te mogen zwijgen. In de affaire Meijering gaat het om de vraag wanneer iets de advocaat in zijn hoedanigheid van advocaat is medegedeeld en hoe de rechter de hem toekomende marginale toetsing mag toepassen. Waar eindigt de vriendschap en begint de professionele relatie?

1.
Wie de commotie rond de affaire Meijering alleen in de kranten gevolgd heeft, zal zich begrijpelijke zorgen gemaakt hebben over het voortbestaan van het advocatenverschoningsrecht. Een advocaat leek gedwongen te worden om als getuige een verklaring af te leggen tegen zijn eigen cliŽnt.1 Wie de feiten kent en de stukken gelezen heeft, weet dat het niet zozeer gaat om het voortbestaan van het verschoningsrecht maar om de begrenzing van wat wel en wat niet eronder valt.
Het uitgangspunt was, dat het Openbaar Ministerie (OM) een advocaat als getuige wenste te horen in een strafzaak tegen zijn eigen cliŽnt. De gewenste informatie betrof onder meer mededelingen van die cliŽnt aan de advocaat. Die persoon was zowel een cliŽnt als (volgens het OM) een vriend2 van de advocaat. Dat er met het verschoningsrecht rekening gehouden moest worden, werd door het OM erkend. Het OM meende echter dat de door hem gewenste informatie niet onder het verschoningsrecht viel. Tot op zekere hoogte was de rechter-commissaris (RC) dit met het OM eens. De betrokken advocaat deelde deze mening niet en hij werd hierin gesteund door de Deken en Waarnemend Deken van de Amsterdamse Orde. En door mij, zoals uit dit artikel zal blijken.

2.
Het verschoningsrecht is het recht van een kleine groep beroepsbeoefenaren - arts, notaris en advocaat - en de geestelijke om zich te verschonen van het afleggen van een getuigenverklaring met betrekking tot datgene wat hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd. Het gaat er niet om of de informatie een geheim of vertrouwelijk karakter heeft en ook niet of de informatie via andere bronnen bekend kan worden of al is.3 Het gaat erom dat de communicatie tussen, in ons geval, de advocaat en de cliŽnt vertrouwelijk blijft. Daaraan is een rechtsstatelijk belang gekoppeld, zoals helder wordt uiteengezet in het rapport van de Commissie Van Wijmen.4 Dit kan heel kort worden samengevat: in de rechtsstaat moet elke burger de mogelijkheid hebben de hem toekomende rechtspositie te effectueren. Daarbij is de rol van een advocaat van wezenlijk belang. De advocaat kan die rol alleen goed spelen als de cliŽnt hem volledig kan vertrouwen en er met name op kan rekenen dat communicatie tussen hem en de advocaat vertrouwelijk blijft.
Als nu aan die vertrouwelijkheid getornd wordt, wordt ook getornd aan de mogelijkheid van de burger om zijn rechtsstatelijke rechtspositie ten volle tot zijn recht te laten komen en dat laatste is nu juist de kern van de rechtsstaat zoals wij die ons wensen.
Het verschoningsrecht is, zoals gezegd, het recht om als getuige te mogen zwijgen; niet het recht om als getuige te mogen wegblijven.5
Die onverkort voortbestaande verschijningsplicht heeft zin want alleen zo kan worden vastgesteld of het verschoningsrecht terecht wordt ingeroepen. Hierbij wordt aangetekend dat het de verschoningsgerechtigde zelf is die bepaalt of iets onder zijn verschoningsrecht valt terwijl de rechter dit moet respecteren zolang hij (de rechter) aan redelijke twijfel onderhevig acht of de beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven.6 Dit laatste is niet vaak het geval want de rechter zal maar zelden over de feitenkennis beschikken om tot zo'n oordeel te komen. Met andere woorden: het inroepen van het verschoningsrecht is voor een belangrijk deel een beroep op de integriteit van de inroeper ervan. Hij kan als beste en vaak als enige weten of hij het terecht inroept. Daarbij wordt volstrekte eerlijkheid verwacht en dat behoort nu ook weer bij de bijzondere positie die ieder van de beroepsbeoefenaren uit de beperkte groep van beroepen met een algemeen erkend verschoningsrecht bekleedt. Van hen wordt een uiterst integere instelling verwacht. De rechter heeft dus de mogelijkheid om te beoordelen of het verschoningsrecht terecht wordt ingeroepen maar hij kan daaraan slechts een marginale, zelfs zeer marginale, toetsing ten grondslag leggen.

3.
Over de 'affaire Meijering' zal ik het slechts in algemene termen hebben. De 'affaire' is eigenlijk afgesloten. Aan het niet beantwoorden van vragen die volgens de R-C buiten het verschoningsrecht vallen zullen geen consequenties worden verbonden, deelde de betrokken RC al mee en het OM heeft besloten de kwestie van het getuigenverhoor niet verder door te zetten uit een wens de escalatie te willen beŽindigen. Verstandig.
Maar de strafzaak waartoe dit alles aanleiding gaf, is nog niet afgedaan en daarom acht ik het minder kies om in detail in te gaan op de vragen die OM en R-C beantwoord wilden zien.

4.
De kern van het meningsverschil is dus niet of een advocaat als zodanig een getuigenverklaring moet afleggen maar het gaat, zo lijkt mij, om de vraag naar de reikwijdte van het verschoningsrecht en dan meer in het bijzonder naar de vraag wanneer iets de advocaat in zijn hoedanigheid van advocaat is medegedeeld en hoe de rechter de hem toekomende marginale toetsing mag toepassen. Er speelt ook nog een tweede vraag, namelijk naar mogelijke uitzonderingen op het verschoningsrecht.
Ik denk dat de problemen in belangrijke mate ontstonden doordat tussen advocaat en cliŽnt zowel een veronderstelde vriendschappelijke als een professionele band bestond. In beide relaties werd, in de mening van OM en RC, gecommuniceerd en de vraag kan dan al snel rijzen wat in welke relatie gezegd wordt.7
Ik ga hierna voor een scherper inzicht in de problematiek ook in op een 'echte' vriendschappelijke relatie tussen advocaat en cliŽnt waarbij ik op vriendschap doel, zoals die re vera dus niet bestaat in het geval Meijering.
Neem bijvoorbeeld een afgeluisterd telefoongesprek. Zulke gesprekken tussen advocaat en cliŽnt mogen niet worden afgeluisterd.8 Maar dit geldt niet voor gesprekken tussen twee vrienden van wie een toevallig advocaat is. Wanneer de ander echter niet alleen vriend is maar ook cliŽnt ontstaan complicaties. Dan kunnen gespreken gevoerd worden over onderwerpen die niets, maar ook over onderwerpen die wel met de relatie advocaat-cliŽnt te maken hebben. In zo'n gesprek kunnen dingen aan de orde komen die erg interessant kunnen zijn voor politie of OM. Ook een gesprek tussen een advocaat met iemand die uitsluitend cliŽnt is, kan een stukje algemene conversatie bevatten.9
Wie maakt dan uit wat onder het verschoningsrecht valt? Hetzelfde gaat op voor gesprekken in de sociale omgeving als een borrel, diner, receptie bij de cliŽnt, samen uit eten.
Waar eindigt de vriendschap en begint de professionele relatie?

5.
Je kunt de vraag ook anders stellen: Valt de nadruk op de relatie advocaat-cliŽnt als in een gemengd gesprek ook over zaken gesproken wordt? Of kleurt de vriendschap elk gesprek tot niet-vertrouwelijk? Of: kan je een telefoongesprek in tweeŽn knippen, een vriendschappelijk, althans een niet-advocatuurlijk, deel en een zakelijk deel?
Twee voorbeelden om dit te verduidelijken.
  1. In een telefoongesprek vertelt de strafrechtcliŽnt in informele zin over de zaak van een vriend van hem, die door een andere advocaat wordt bijgestaan, omdat hij weet dat het een zaak is die strafrechtadvocaten interesseert. Vervolgens komt het gesprek op de eigen zaak van de cliŽnt.
  2. Een cliŽnt van een advocaat die tevens belastingadviseur is, bespreekt een fiscaal probleem over bepaalde financieringen, waar de FIOD belangstelling voor heeft om de juistheid van zekere aftrekposten te controleren. Vervolgens gaat het gesprek over de juridische vorm van sommige van die financieringen.
    Wat valt wel en wat niet onder het verschoningsrecht? In zaak (i) lijkt het duidelijk dat het gesprek over die andere strafzaak niet onder het eigenlijke advocaat-cliŽnt-verkeer valt. Dus geen verschoningsrecht. Maar als de uitkomst van die zaak van belang kan zijn voor de zaak van de cliŽnt? Dan wordt het eigenlijk weer zakelijk verkeer en verschoningsgerechtigd.
In geval (ii) valt de relatie fiscalist-cliŽnt niet onder enig verschoningsrecht. Maar de twee kwesties zouden wel eens een nauw verband kunnen hebben. Als de juridische constructie op een bepaalde manier wordt opgezet om daarmee (ook) een belastingvoordeel te behalen, is het dan per saldo een fiscaal of een advocatuurlijk advies?
Uiteindelijk werden deze vragen in het besproken geval aldus beantwoord dat een onderscheid moest worden aangebracht tussen wat kennelijk persoonlijk en vriendschappelijk was terwijl al hetgeen met de relatie advocaat-cliŽnt te maken had of kon hebben onder het verschoningsrecht viel. Zo althans interpreteer ik de stukken die ik mocht lezen vooral ook in de hoop dat dit ook zo bedoeld was. Zo behoort het immers te zijn.

6.
In het geval Meijering waren er onder meer taps van gesprekken van de 'vriend'/cliŽnt met de advocaat. De inhoud daarvan vond het OM interessant en het wilde daarover meer weten. Het OM ging van de vriendschappelijke relatie uit en probeerde te forceren dat Meijering als getuige gehoord zou worden. Voor zover het om niet-advocatuurlijke contacten zou zijn gegaan10, kan daar ook geen bezwaar tegen worden gemaakt. De RC wilde een getuigenverhoor afnemen waarbij dan wel beoordeeld zou worden of er wel of niet van een verschoningsrecht sprake was. De officier van justitie had een gedetailleerde vragenlijst opgesteld. De RC verdeelde vervolgens de lijst in groepen waarbij zij aangaf of er wel of niet van verschoningsrecht sprake was.
En hier ging het fout.

7.
Ik heb mijn bedenkingen tegen het optreden van het OM. Het gebeurt niet vaak dat een advocaat als getuige gehoord wordt. Het is mijzelf eens overkomen toen ik getuige van een verkeersongeluk was geweest. Uiteraard geen enkel probleem want mijn advocaat zijn speelde geen rol. Maar als je er als advocaat bij betrokken bent of er dicht tegenaan zit, past grote voorzichtigheid.
Het uitgangspunt voor de juiste beschouwing is dat het de tot verschoning gerechtigde zelf is, die bepaalt of hem een beroep op het verschoningsrecht toekomt. Natuurlijk wil het OM achter de materiŽle waarheid komen. Maar even natuurlijk heeft het OM hierbij de regels die het goede functioneren van de rechtsstaat moeten beschermen scrupuleus te respecteren. Het OM dient zich wel tweemaal te bezinnen voor het beslist een advocaat als getuige op te roepen als het niet om een verkeersongeluk (zie hierboven) gaat maar om een zaak waarbij de betrokkene ook als advocaat betrokken is. Mijn suggestie zou zijn dat het OM in zo'n kwestie eerst (uiteraard vertrouwelijk) overleg pleegt met de Deken van de locale orde waaronder de betrokken advocaat valt en bovendien het 'in dubio abstine' toepast.

8.
Maar het OM heeft een taak bij het achterhalen van de waarheid en dan moet je misschien door de vingers zien dat er wel eens poging gedaan wordt de grenzen van het verschoningsrecht op te zoeken. De rechter, die nu eenmaal in de ontwikkeling van de leer van het verschoningsrecht een uiterst belangrijke rol heeft gespeeld en nog altijd speelt, dient uiterst behoedzaam te zijn en bij voorkeur de lijn van de jurisprudentie vast te houden.
Wat deed nu de rechter in deze zaak? Hij11 sprak uit dat er een verschoningsrecht bestond en dat de daartoe gerechtigde zelf over de reikwijdte ervan mocht beslissen. Afgezien van wat gegoochel met zwijgplicht, geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht een juist uitgangspunt. Alleen wanneer er geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde onjuist is, moeten vragen beantwoord worden. Conform de leer. Maar dan komt er iets dat ik nog niet in enige gepubliceerde uitspraak tegen kwam. De rechter zegt: Als het dossier zeer sterke aanwijzingen bevat dat de geheimhouder informatie ontvangt in een andere hoedanigheid dan die welke hem tot geheimhouding verplicht, moet hij aannemelijk maken dat er toch een verschoningsrecht is. Dan komt er nog een tweede grond voor afwijzen van het verschoningsrecht, waarover dadelijk meer.
De rechter beoordeelde de lijst met vragen die de OvJ wilde stellen en wees daaruit een groep vragen aan die onder het genoemde criterium beantwoord moet worden tenzij ...
Hiertegen heb ik bezwaar. Wat de rechter in algemene termen zegt, lijkt een eenvoudige parafrase van de regel, die ik in paragraaf 2, met aanhaling van het in noot 4 genoemde arrest weergaf. Maar dat is niet zo. De rechter legt de 'bewijslast' bij de advocaat: die moet aannemelijk maken dat hij toch verschoningsgerechtigd is tegen de ongespecificeerde bezwaren van de rechter in. Die verwijst immers in algemene termen naar het dossier (en dat in een fase waarin nog weinig, zoal iets, vaststaat).12

9.
De juiste gang van zaken is als volgt. Rechter stelt vraag. Verschoningsgerechtigde advocaat beroept zich op verschoningsrecht. De rechter geeft precies aan waarom en op welke concrete gronden hij meent dat er in dit bijzondere geval geen verschoningsrecht is. De advocaat overweegt of hij het hiermee eens is. Zo ja, dan beantwoordt hij de vraag. Zo nee, dan zegt hij dat. Moet hij redenen geven? Nee want het is denkbaar dat de reden nu juist iets is dat onder het verschoningsrecht valt.
Neem de twee voorbeelden uit paragraaf 5. Als dat verhaal over de andere strafzaak interessant is voor de zaak van de bellende cliŽnt/vriend valt het onder het verschoningsrecht. Maar dat hoeft niemand anders te weten. Als de advocaat dat moet uitleggen zou hij al wel eens een stukje van wat verborgen dient te blijven, moeten onthullen. Hij hoeft dus alleen maar te zeggen dat hij zich, ook na heroverweging en met in acht nemen van de observaties van de rechter, op zijn verschoningsrecht blijft beroepen. En daarmee moet het klaar zijn. Gťťn uitleg en redengeving.
Het tweede voorbeeld. Het mag zijn dat de fiscalist geen verschoningsrecht heeft, de grens tussen advocaat en belastingadviseur is vloeiend. Veel advocaten uit de ondernemingsrechtpraktijk hebben een aanzienlijke kennis van belastingrecht. Als zij adviseren over juridische constructies en daar fiscale punten bij meenemen, valt alles onder het verschoningsrecht. Daar kan, naar mijn stellige overtuiging, geen grens getrokken worden. Zou het gaan om een belastingaangifte, of een uitsluitend fiscaal advies, dan kan ik mij er mee verenigen, dat het om zuivere belastingadvieswerkzaamheden gaat en dat er geen verschoningsrecht is. Maar ook hier geldt weer dat het voor de FIOD interessant kan zijn juist in dat gebied waar de toch al verwante disciplines elkaar overlappen, de grens te verschuiven en te achterhalen waarom de juridische component van een gemengd advies zus of zo is uitgevallen. Daar kan veel interessante feitelijke informatie mee samenhangen. Maar door dat uit te leggen, schendt de advocaat ook hier weer snel zijn geheimhoudingsplicht en dus dient hij zich op het verschoningsrecht te beroepen zonder enig inzicht in het waarom te geven.
Nog twee andere voorbeelden: de rechter zegt: 'U moet antwoorden want uit verklaringen van getuigen weet ik dat wat nu gevraagd wordt, besproken moet zijn toen u op het vakantieadres van uw cliŽnt, in hartje zomer, in zwembroek met elkaar praatte met een biertje in de hand aan de rand van het zwembad. Dat kan niet zakelijk geweest zijn.' Of (maar dit gaat minder om de relatie van advocaat en cliŽnt en meer over 'toevertrouwd') 'Wat ik vraag gaat over uw mededeling tijdens een televisieuitzending die door iedereen gehoord kon worden.' In het eerste geval kan alleen de advocaat weten of hij als vakantiegast daar was of als advocaat zijn cliŽnt bezocht en door het warme klimaat tot vakantieachtige dracht was verleid. Maar dat is nu juist informatie die hij, ondanks de schijn van het tegendeel, als advocaat weet. En dat hoeft hij niet te zeggen, sterker, hij mag het niet zeggen. En in het tweede geval kan het heel goed om een mededeling gaan, die de advocaat weliswaar publiekelijk geuit heeft maar die toch onder het verschoningsrecht valt. Daarbij doet het er immers niet toe of die informatie al publiek is.13 Alleen de advocaat kan dat beoordelen.
Het probleem dat hier aan de orde is, is dat alleen de advocaat de feiten aan zijn kant kent en die feiten nu juist verborgen moet houden. Dit trekt een zware wissel op de betrouwbaarheid van de advocaat, daarvan ben ik mij terdege bewust. Maar dat zijn nu eenmaal de regels van het spel. Als je het verschoningsrecht tot een algemeen, in Nederland geldend, rechtsbeginsel maakt, zoals in het Notaris Maas-arrest werd vastgesteld14, kan je er niet voorzichtig genoeg mee omgaan. Ik teken daarbij direct aan dat een behoorlijk advocaat bij een meningsverschil over de reikwijdte van het verschoningsrecht er goed aan doet zoveel mogelijk informatie te geven als met vasthouden aan zijn verschoningsrecht mogelijk is om duidelijk te laten uitkomen dat hij een weloverwogen antwoord geeft. Botweg weigeren is onverstandig, omdat het alleen maar achterdocht of erger oproept en in het geheel niet verschijnen is gedrag dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.15 Maar de rechter die zegt dat bepaalde groepen vragen beantwoord moeten worden tenzij de advocaat kan uitleggen waarom dat toch niet hoeft, hanteert een bijl, waar een fileermes ten hoogste toegepast mocht worden en dan ook nog een botte bijl.

10.
En nu dan dat tweede punt uit de overwegingen van de rechter. Ook als er een verschoningsrecht ingeroepen kan worden, kan dat nog gepasseerd worden als er zeer uitzonderlijke omstandigheden spelen die met zich brengen dat het belang dat de waarheid aan het licht komt, moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De rechter verwijst naar de Hoge Raad en op zich terecht.16 Zulke bijzondere omstandigheden zijn niet gelegen in het feit dat de advocaat zelf als verdachte wordt aangemerkt (toch een vrij uitzonderlijke situatie!) maar dat ligt anders als het om een ernstig strafbaar feit gaat, aldus de Hoge Raad.
In het in dit artikel besproken geval vond de rechter dat er zulke bijzondere omstandigheden waren: Het opsporen van het lekken van zeer gevoelige politie-informatie en de rol van de getuige (de advocaat dus) hierbij rechtvaardigden het passeren van het verschoningsrecht.
Ik vraag mij ernstig af, of hier nu van de door de Hoge Raad bedoelde uitzonderlijke omstandigheden sprake is.17 Natuurlijk is het ernstig als politie-informatie uitlekt maar geeft dat een belang dat het algemeen geldende rechtsbeginsel dat het verschoningsrecht boven de waarheidsvinding gaat, doet wijken? Ligt dat op hetzelfde vlak als de advocaat die van een ernstig delict verdacht wordt? Ik dacht van niet. In dit laatste geval wordt het verschoningsrecht ingeroepen om een strafbaar feit te verhullen en wel door de pleger van dat feit zelf. Daarvoor is het verschoningsrecht niet gegeven. Dat gaat om degene die hulp zoekt bij de advocaat.18 Let wel, de rechter noemt wel de mogelijke rol van de advocaat/getuige hierbij, maar spreekt duidelijk niet van een het zijn van verdachte. De rechter heeft hier de door de Hoge Raad geschapen uitzondering op het Notaris Maas-beginsel te gemakkelijk uitgebreid naar een situatie waar die uitzondering niet toepasselijk zou moeten zijn.

11.
Wellicht blijft een enkeling toch nog zitten met het grote vertrouwen in de advocatuur, dat ik vooral bij het zelf beslissen over de toepasselijkheid van het verschoningsrecht gerechtvaardigd acht. Ik zal ook weer niet de laatste zijn om te erkennen dat de advocatuur niet geheel gespeend is van zwarte schapen. Dan is het interessant te wijzen op de gedachte, die Rutgers in zijn noot onder HR 13 januari 2006, NJ 2006, 480, releveerde en die teruggaat op een gedachte van Vranken.19 Die gedachte suggereert het instellen van een bijzondere kamer die over verschoningsrechtkwesties oordeelt.

Prof. mr. Floris Bannier is bijzonder hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam en advocaat te Amsterdam.
___________________
1. 'Rechter: advocaat moet informatie geven over cliŽnt', kopte NRC Handelsblad.
2. Meijering, wiens mening hier natuurlijk van doorslaggevend belang is, benadrukt dat hij vriendschappelijk met deze cliŽnt omging, zoals met vele andere cliŽnten, maar dat dit heel wat anders is dan 'vriendschap'. Daarvan was in dit geval geen sprake. Dit punt heeft in deze kwestie wellicht onbedoeld een (ongelukkige) rol gespeeld.
3. Zie bijvoorbeeld HR 1 maart 1985, NJ 1986, 73 (het bekende Notaris Maas-arrest) en HR 18 december 1998, NJ 2000, 341.
4. Rapport 'Een maatschappelijke orde', Commissie Advocatuur (naar haar voorzitter ook Commissie Van Wijmen genoemd) 24 april 2006.
5. Dit had de advocaat in de besproken casus zeer goed begrepen maar om redenen, die begrip oproepen (ook al waren ze achteraf onjuist) bleef hij toch weg.
6. HR 7 juni 1985, NJ 1986, 174 en voor een geval dat de rechter tot een verkeerde afweging kwam HR 17 oktober 2006, NJ 2006, 583.
7. Vriendschappelijke relaties tussen advocaten en cliŽnten komen vaker voor. Mr. Bram Moszkowitz verdedigde dit onlangs in zijn 'Holleeder-persconferentie'. Persoonlijk ben ik er geen voorstander van omdat de noodzakelijke onafhankelijkheid van de advocaat ten opzichte van zijn cliŽnt in gevaar kan komen.
8. Dat dit desondanks gebeurt, is door de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten tevergeefs zowel in Straatsburg als in Nederland aangevochten, of meer precies: het niet vernietigen van de transscripten of geluidsdragers van die gesprekken als zo'n gesprek al dan niet legaal toch is afgeluisterd. Zie de uitspraak van het ECHR in de Aalmoes-zaak en Vzr. Rb. Den Haag 15 maart 2005 (KG) LJN AT0304.
9. 'Hoe gaat het met u?' 'Nou, niet zo best. Ik ben al een tijdje in de lappenmand' 'Ach wat vervelend. Wat mankeert u?' 'Niet zozeer ziek, maar dat gedoe op het werk zit me hoog.' 'Erg vervelend. Maar laten we het nu over uw zaak, de echtscheiding, hebben.'
10. Waarbij het er natuurlijk niet toe doet of het vriendschappelijke, sociale, zakelijke contacten of wat dan ook zijn; het gaat erom, dat zij plaats vinden in een relatie die niet die van advocaat en cliŽnt is en met die relatie ook niet in verband gebracht kunnen worden.
11. Het was eigenlijk een 'zij' maar rechter is nu eenmaal mannelijk en ik bezie de rechter hier liever als instituut en niet als een bepaalde persoon.
12. Vergelijk voor de aardigheid de overweging van de rechtbank te kennen uit HR 17 oktober 2006, NJ 2006, 582, p. 5528, r.k., midden.
13. Zie noot 1.
14. Zie wederom noot 1.
15. Wat, ik zeg het nog maar eens, in dit geval geen kritiek op Meijering bedoelt te zijn.
16. De rechter zal gedacht hebben aan HR 30 november 1999, NJ 2002, 438 (YB). Zie ook het latere arrest HR 17 oktober 2007, genoemd in noot 12.
17. Illustratief voor de zwaarte van de omstandigheden die voor doorbreken van het verschoningsrecht nodig zijn is HR 9 mei 2006, NJ 2006, 622, waar de Hoge Raad een toch uitgebreid door de rechtbank gemotiveerde doorbreking casseerde.
18. Zie ook Bannier & Fanoy, 'Vier misverstanden over het verschoningsrecht', Adv.bl. 2006, nr 3.
19. Preadvies NJV, Handelingen NJV 1986, Deel 1, p. 108 e.v.


Visie | Een visie insturen | Maak favoriet | E-mail vriend(in) | Download als PDF
zo 20 mei 2007 13:15 Indirect discrimination in EC law  wo 23 mei 2007 14:00 Waarderingsperikelen bij niet-commercieel vastgoed
Meer visies
Reacties

Er zijn nog geen reacties op deze visie.


Agenda 


Home | Over Rechtenforum.nl | Agenda | Visie | Downloads | Links | Mail deze site | Contact

Sites: Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | Juridischeagenda.nl | Juridica.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl

© 2003 - 2009 Rechtenforum.nl | Gebruiksvoorwaarden | Privacyverklaring | RSS feeds